Lukt het iemand die hand in hand gaat met het Opperwezen gemakkelijker af te kicken van de drank? Ik zou het u niet kunnen zeggen. De onderzoekers die er een artikel over schreven trouwens ook niet.

Arme John Kelly. De Amerikaanse arts-onderzoeker was zo goed om me een exemplaar te verstrekken van zijn onderzoekspaper, naar het verband tussen geloof en afkicken van de drank. Alleen: hij deed het op precies het verkeerde moment.

De avond tevoren had ik een adembenemende lezing bijgewoond van Hans van Maanen, wetenschapsjournalist en medewerker van onder meer NWT. Van Maanen, te gast in het Volkskrant Kenniscafé, deed uit de doeken welke statistische trucs wetenschappers zoal gebruiken om hun onderzoeksresultaten op te kalefateren.

'Xenotransplantaties gaan voor een revolutie in de geneeskunde zorgen'
LEES OOK
'Xenotransplantaties gaan voor een revolutie in de geneeskunde zorgen'

Hans heeft daar trouwens ook een boek over geschreven, dat u potjandrie ogenblikkelijk moet kopen.

En nu was daar de paper van John Kelly. Kort en goed kwam het onderzoek hierop neer: Kelly had 1726 drankverslaafden gevolgd tijdens het afkicken, en kwam nu tot de conclusie dat het afkicken veel beter lukte al de alcoholist tijdens het afkickproces God had leren kennen.

Maar: hoe sterk is het verband eigenlijk? Hoeveel méér kans hebben gelovigen om af te kicken dan atheïsten? Zouden er andere factoren zijn die het afkicken nog veel meer vergemakkelijken? Dat stond er gek genoeg helemaal niet met zoveel woorden in.

Normaal gesproken had ik het misschien ter kennisgeving aangenomen, maar nu beschouwde ik Kelly s paper als oefenmateriaal. Een uitdaging. Wat had die Kelly nu eigenlijk precies gevonden? Voor de aardigheid liet ik het Hans weten. Die mailde prompt terug: ‘Wat een heerlijke chaos, dat artikel. Ik zou zeggen, sterkte ermee…’

Sindsdien heb ik mij vastgebeten in de bèta-scores, de p-waarden, de Sobel t-testen en de mediatie-effecten. Mijn vragen spitsen zich toe op deze tabel, waarin Kelly zijn resultaten in feite samenvat:

Gelukkig was Kelly zelf goed bereikbaar voor vragen. Eén ding viel me echter op. Gevraagd naar precieze aantallen, begon de onderzoeker de zaak te ontwijken. In plaats van een kwantitatief antwoord, kreeg ik een kwalitatief antwoord, in feite een samenvatting van wat hij in zijn paper ook al schreef.

Ik wil het u niet besparen; let u op het gebruik van de ongekwantificeerde vaagheden ‘better’, ‘increases’, ‘one of the’/’some of the’:

This particular study found that one of the mechanisms by which AA participation led to better outcomes was through increasing their spiritual practices (prayer, mediation mostly). Thus, higher S/R led to better outcomes. So, essentially what was shown was that AA leads to better alcohol outcomes; S/R leads to better outcomes; and, AA increases S/R. Furthermore, when you conduct mediational analysis (controlling for the effects of S/R when examining the relation between AA and outcomes) S/R explains some of the beneficial effect. This is not to say of course, that people don t get better without AA many do; and many within AA get better without increasing S/R or being S/R at all. Some people for example just use AA for the social components that help reinforce sobriety and provide an alternative social group to hang out with.

Verontrustend eigenlijk. Ik vroeg toch echt naar heel exacte cijfers. Uw r-kwadraatscore, meneer Kelly? De bètawaarde van de andere variabelen? De precieze aantallen mensen waarom het gaat? Cijfers wil ik nu wel eens zien, geen praatjes.

Uiteraard heb ik Kelly nogmaals een vriendelijk mailtje gestuurd. Ik hoor nog van hem. En u hoort weer van mij. Ik kom er nog wel achter. Reken maar.