Wanneer ik terugkwam van een geologisch veldwerk voelde ik me in de hal van de universiteit altijd enigszins ongemakkelijk. Terwijl om me heen prachtig opgemaakte meisjes op hun hoge hakken paradeerden, liet ik met mijn afgetrapte bergschoenen een duidelijk modderspoor achter op de vloer. Mijn make-up beperkte zich tot wat mergel onder mijn nagels en een bruine streep op mijn wang – een overblijfsel van het boren in een veertien meter diepe veenlaag. Eenmaal thuis waste ik snel de laatste restjes wetenschap van me af en trok ik mijn allervrouwelijkste jurkje aan. Wetenschap mooi? Ik heb er mijn twijfels over.

Toegegeven, als je een willekeurige onderzoeker vraagt of hij zijn vakgebied mooi vindt, zal hij vast volmondig ‘ja’ antwoorden. Voor natuurkundigen gaat er een bepaalde schoonheid van de wetten der thermodynamica uit, biologen ervaren vermoedelijk esthetische genoegens bij het ontleden van een muskusrat en geologen willen nog weleens lyrisch worden over een prachtige breukzone.
Maar altijd gaat het om functionele schoonheid. Wetenschap is mooi om wat we ermee bereiken, om de eureka-momenten die het brengt, omdat we erdoor in staat zijn te verklaren waarom we sommige dingen mooi vinden en andere niet. Niet omdat wetenschap in zijn uiterlijke verschijningsvorm nou zo adembenemend, lustopwekkend, hartkloppingen veroorzakend mooi is. Dacht ik.

Toch blijken er wel degelijk wetenschappers te zijn die hun vakgebied het liefst altijd dicht op de huid met zich meedragen, zo las ik afgelopen zaterdag in de Volkskrant. De Amerikaanse wetenschapsjournalist Carl Zimmer is bezig met een project getiteld Science Ink. Op zijn website verzamelt Zimmer foto’s van wetenschappelijke tatoeages, om er uiteindelijk een boek mee samen te stellen. De honderden tattoos illustreren de onnoemelijke veelzijdigheid van de wetenschap en van de menselijke geest. Natuurlijk, dat er iemand rondliep met de structuurformule van LSD op zijn bovenarm was nog wel te verwachten, evenals het feit dat een pi-verslaafde zoveel mogelijk getallen achter de komma op zijn rug heeft laten tatoeëren. Maar waarom zou je de darmbacterie Escherichia coli op je enkel laten vereeuwigen, of een plattegrond van de Galapagos-eilanden op je huid mee willen dragen? Gelukkig is bij elke foto een korte toelichting te vinden. Het meisje met de Taylor-sinus-reeks
() op haar bovenarm legt bijvoorbeeld uit dat de formule een van de meest nuttige formules binnen de natuurkunde is.

‘Ik wil uiteindelijk een mooie ribeye-steak maken’
LEES OOK

‘Ik wil uiteindelijk een mooie ribeye-steak maken’

Tien jaar geleden presenteerde Mark Post de eerste in het lab gemaakte hamburger. Wanneer kunnen wij daar onze tanden in zetten?


Enkel met Escherichia coli
Bron: blogs.discovermagazine.com/loom/science-tattoo-emporium (het boek van Zimmer, Science Ink, komt in de herfst van 2011 uit bij uitgeverij Sterling)

Maar niet elke tatoeage is natuurlijk bedoeld als permanent spiekbriefje. Een groot deel van de lichaamsversieringen heeft, zoals ook bij ‘gewone’ tattoos, emotionele waarde voor de eigenaar. Zo heeft een jongen voor de structuurformule van Phenobarbital gekozen omdat hij een epileptische kat heeft, die het geneesmiddel dagelijks krijgt
toegediend. Andere wetenschappers laten het onderwerp van hun promotieonderzoek op hun lichaam vereeuwigen, alsof ze er na vier jaar nog geen genoeg van kunnen krijgen.

En verder? Zou het de hang naar originaliteit zijn, een ontsnapping uit het keurslijf van de anonieme wetenschap, waarin je meestal onderdeel uitmaakt van een grote onderzoeksgroep? Een poging om het nerderige imago te bestrijden? Of om een partner aan de haak te slaan?
Als man kun je dan je overhemd openrukken en zeggen: ‘Jij wilt weten wat de enthropiewet inhoudt? Dat kan ik je in detail laten zien, schat… ‘ Of je kunt ontdekken wie je zielsverwant is. Jarenlang loop je rond met een tatoeage van Schrödingers kat en dan ontmoet je plotseling je toekomstige wederhelft, die precies hetzelfde plaatje heeft.

Tot slot heb je natuurlijk nog de mogelijkheid dat wetenschappers hun eigen lichaam als kladblok voor baanbrekende hypotheses en voortschrijdende inzichten gebruiken. Een beetje zoals met balpen een plotselinge ingeving op je hand noteren, maar dan permanent, à la de film Memento. Zodat je niets vergeet, of zodat je collega’s weten dat die geniale theorie aan jou toebehoort. Geen gedoe meer over wie er recht heeft op een Nobelprijs als meer mensen met hetzelfde idee komen aanzetten: gewoon even het bonnetje van de tatoeëerder laten zien om aan te tonen dat jij het eerst was. Na je dood kan je huid dan mooi geprepareerd worden en aan de muur van een vooraanstaand museum worden bevestigd. Wel schuilt er een gevaar in al die wetenschappelijke tatoeages: wat als je formule niet blijkt te kloppen? Dan blijf je je briljante theorie voor altijd als een mislukking met je meedragen, zoals de naam van een ex uit een ver verleden die nog altijd omzoomd door een vaalblauw hartje je schouderblad siert.

Als ik ooit een Nobelprijs win met de ontdekking van een nieuwe steensoort, dan zal ik er een tatoeage van nemen, dat beloof ik. Op mijn linkerbil. Tot die tijd houd ik het nog maar even op tijdelijke lichaamsversieringen. Wel geologisch verantwoord, uiteraard. Een ring met diamantjes of een kettinkje met een ammoniet. En ik houd mijn ogen open om te zien of ik een aantrekkelijke tatoeage langs zie komen. Het liefst een van de relativiteitstheorie – want die zou ik nou wel eens in detail uitgelegd willen krijgen.