Hoe komen wetenschappers tot dat ene inzicht dat het verloop van hun carrière bepaalt? Daarover vertellen ze in de rubriek Eureka, elk weekend in het AD, verzorgd door de redactie van New Scientist. Deze keer: Theunis Piersma, hoogleraar trekvogelecologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en onderzoeker bij het Koninklijk NIOZ.

‘Ik ben opgegroeid in Zuidwest-Friesland, globaal tussen Makkum en Lemmer, precies het gebied in Nederland waar de grutto’s vandaan komen. Al jaren liep ik met de vraag rond of de zuidwaartse trek van deze vogelsoort was aangeleerd, of toch is aangeboren, wat bijna iedereen in de wetenschap denkt?

Ik heb verschillende plannen ingediend om dit experimenteel te onderzoeken, maar kreeg het steeds niet gefinancierd, vooral omdat de insteek van mijn vraag volgens de heersende wetenschap fout was.
Als je iets wilt zeggen over overerving, dan vindt bijna iedereen dat je naar de genen moet kijken. Ik vond dat we juist naar het fenotype moeten kijken, dus naar de vogel in plaats van het DNA.

Iedereen kan overweg met een 'derde duim'
LEES OOK

Iedereen kan overweg met een 'derde duim'

Iedereen kan wennen aan een extra robotduim, van kinderen tot senioren. Dat stelden Britse onderzoekers vast bij een wetenschapsfestival.

Theunis Piersma en Job ten Horn laten een rosse grutto los in Mauretanië. Beeld: Rob Buiter

Dankzij de Spinozapremie, die ik won in 2014, kreeg in het grootste inzicht van mijn carrière. De prijs bedroeg 2,5 miljoen euro, en daarmee kon ik geheel naar eigen inzicht kon ik een onderzoek opzetten.

Maar let wel: dit is het meest ingewikkelde dat ik ooit heb gedaan. Met de hand hebben we een aantal Friese grutto’s grootgebracht. De helft van de broertjes en zusjes hebben we, kort nadat ze konden vliegen, naar Polen gebracht. Hun nestgenoten lieten we in Friesland los. Alle vogels die meededen aan dit onderzoek kregen een zendertje van zes gram op hun rug, zodat we ze konden volgen.

Wat bleek? De grutto’s die naar Polen verhuisd waren hielden zich aan de trekroutes en bestemming van hun Poolse soortgenoten, terwijl de Nederlandse kuikens de gewone, meer westelijke route volgden, naar westelijker gelegen overwinteringsgebieden in Afrika.

Dit resultaat was niet alleen geweldig, het kan ook een empirisch stokje zijn om de geldende dogma’s mee te slaan. We hebben aangetoond dat de jonge grutto’s, afhankelijk van de plek van loslaten, de routes en bestemmingen kiezen van de volwassen vogels ter plaatse. Dit laat zien dat ze niet met de trekroute worden geboren, maar dat ze die vormen op grond van informatie na het uitvliegen. Aangeleerd dus, niet aangeboren.’