De bijbel is weer eens bewezen. Deze week door het National Center for Atmospheric Research in Colorado. De weerkundigen aldaar hebben het verhaal van de Uittocht gepakt, en met behulp van een computermodel aangetoond dat de wind in Egypte zó enorm hard kan zijn geweest dat de Rode Zee droog werd geblazen, en het volk van Israël over kon steken. Medewerker Carl Drews: ‘De simulaties komen vrij nauwkeurig overeen met de beschrijving in het Bijbelboek Exodus.’

Tja, dat is het voordeel van computersimulaties: je kunt er net zo lang aan knutselen tot je ‘vrij nauwkeurig’ krijgt wat je wilt. Wat meer wind hier, een windje daar, wat langer vanuit die hoek – en ziet! De bijbel is bewezen! Niet voor de eerste keer, overigens. In 1992 bewezen Doron Nof en Nathan Paldor exact hetzelfde, en daarna is het kunstje nog vele malen vertoond. Het is ook geen kunst. Het betreft hier de meteorologische variant op een pannenlapje breien.

De vraag die deze driftig rekenende meteorologen vergeten te stellen is natuurlijk: waarom is dat waaien maar één keer gebeurd? En daarbij gaan ze ook voorbij aan de belangrijkste vraag: is het überhaupt wel gebeurd? De oude Egyptenaren is het in ieder geval nooit opgevallen. Egyptische bronnen zeggen niets over vluchtende joodse slaven, een splijtende zee en een bijna verdronken farao. Daar zou je nog een complot bij kunnen bedenken, maar het probleem is dat historici allang weten hoe en waarom dat verhaal wèl ontstaan is.

Aan den lijve
LEES OOK

Aan den lijve

Ans Hekkenberg zoekt naar manieren om iets dat lastig is om voor te stellen te vertalen naar iets dat je letterlijk aan den lijve ondervindt.

Het exodusverhaal dateert niet uit 1500, maar omstreeks 500 voor Christus. In die tijd was Egypte onderworpen aan de Perzen, en om de Egyptenaren onder de duim te houden maakten de Perzen gebruik van de diensten van een geminachte minderheid in het land: de joden. Die werden door de Egyptenaren reeds met de nek aangekeken: ze waren straatarm, spraken een rare taal, aanbaden een vreemde god en werden dus regelmatig slachtoffer van wat we nu pogroms zouden noemen. Op hun beurt haatten de joden de Egyptenaren, en velen waren daarom maar al te bereid om als huurling in Perzische dienst te treden – waarop de Egyptenaren ze nog meer gingen haten.

Spoedig circuleerden er onder de Egyptenaren verhalen waarin verteld werd dat farao’s in vroeger tijden de joden bij een eerdere gelegenheid met geweld hadden verdreven, om het land weer gezond te maken; wat natuurlijk in feite oproepen waren om de joden te verjagen. Het Exodusverhaal sluit daar naadloos bij aan. Het is een wraakfantasie, het joodse ‘antwoord’ op die Egyptische anti-joodse propaganda. Een ‘tegengeschiedenis’ waarin de joden niet verjaagd worden maar weg wíllen, en waarbij hun God Egypte te gronde richt. Het Exdusverhaal is dus een buitengewoon leerzaam verhaal. Het leert ons niét dat het daar ooit vreselijk hard heeft gewaaid – wie dat denkt, napt niks van de Bijbel – maar dat vreemdelingenhaat van alle tijden is. En dat het antwoord van de slachtoffers, het volstrekt gefantaseerde 'tegenverhaal' waarin zij geen slachtoffers maar helden zijn, uiteindelijk de geschiedenisboekjes kan halen – om domme meteorologen om de tuin te leiden.