De NASA heeft de sciencefictionfilm 2012 uitgeroepen tot ‘de slechtste SF-film aller tijden’. En dit omdat de film uit 2009 volkomen ongeloofwaardig zou zijn. Wie de geschiedenis van het SF-genre een beetje kent (met klassiekers als The Brain from Planet Arous en Attack of the Giant Leeches) weet dat dit een bijzonder knappe prestatie is. Maar hoe vreselijk ongeloofwaardig is 2012?

In de film veroorzaken neutrino’s een nucleaire explosie in de aardkern. De gevolgen laten zich (althans, voor SF-fans) raden: uitbarstende vulkanen, neerstortende wolkenkrabbers, jammerende kinderen, dappere helden. Kortom, 2012 is veel spannender en inhoudelijk niet echt veel slechter dan Al Gore’s An Inconvenient Truth. En zeker niet ongeloofwaardiger dan de nummer twee: The Core, waarin mensen spontaan doodvallen omdat het aardmagneetveld is verdwenen, waarna geleerden in een soort ruimteschip op reis gaan naar de kern van de aarde om te kijken wat daar mis is. Wat blijkt? De aardkern draait niet meer! Gelukkig weten ze hoe je dat ding weer op gang kunt krijgen….

Nee, dat klinkt inderdaad een stuk geloofwaardiger.

Tijd 'vertraagt' bij het zien van iets gedenkwaardigs
LEES OOK

Tijd 'vertraagt' bij het zien van iets gedenkwaardigs

Tijdens het kijken naar een opvallende afbeelding lijkt de tijd langzamer te gaan, ontdekten Amerikaanse hersenwetenschappers.

De NASA organiseerde deze ‘slechtste film’-verkiezing in het kader van een bijeenkomst met filmmakers. De organisatie wil namelijk graag bijdragen aan films die, aldus NASA-medewerker Donald Yeomans, ‘niet alleen vermakelijk maar ook geloofwaardig zijn.’ Kijken of het script wel ‘wetenschappelijk verantwoord’ is: echt iets voor die NASA-nerds, is dan de eerste gedachte. Want ‘ongeloofwaardige’ films schaden de wetenschap, denken ze daar. En dat terwijl de organisatie als het om geloofwaardigheid gaat een enorme partij boter op het hoofd heeft. De bewust opgeklopte mediahype rond de ‘buitenaardse’ arseenbacterie mag gerust de blunder van het jaar heten. Misschien had de NASA een verkiezing ‘meest opgeblazen wetenschappelijke nieuws’ kunnen organiseren, dan had men ter plekke de winnaar kunnen aanwijzen èn feliciteren.

In plaats van filmmakers de les te lezen, was het veel beter geweest wanneer de NASA juist goed naar hen had geluisterd. Film is immers een uitstekende graadmeter van wat het publiek van wetenschap vindt. En al die populaire ‘ongeloofwaardige’ films geven aan dat het met het publieke imago van de wetenschap wel goed zit. Ooit waren bijna alle filmgeleerden emotieloze mad scientists die met hun uitvindingen de wereld wilden veroveren. Nu zijn wetenschappers de helden die de aarde redden. Menselijke helden die, ook al worden ze in de nek gezeten door hun domme baas (een ambtenaar zonder enig wetenschappelijk benul) en zitten ze midden in een echtelijke crisis (inclusief betraande kinderoogjes), toch nog op het geniale idee komen dat de mensheid redt. En als de rook dan is opgetrokken, of de aardkern weer draait, moet de baas vertrekken, en bloeit de echtelijke de liefde weer op.

Inderdaad, dat is nog erger dan ongeloofwaardig, maar zo kijkt het publiek momenteel tegen wetenschappers aan. Dat heldenimago hebben ze te danken aan de discussie rond het broeikaseffect. Voordien werden wetenschappers door de milieubeweging (en daarmee het brede publiek) weggezet als gewetenloze handlangers van de staat en van de smerige industrie. Maar sinds de ontdekking van het broeikaseffect, en de oprichting van het IPCC, weet iedereen: wetenschappers staan aan de goede kant. Ze weten alles eerder en beter dan de politiek. Sindsdien staan wetenschappers bij elke ramp vooraan.

Niet die domme films, maar de domme NASA bedreigt het publieke imago van de wetenschap.