Hoe komen wetenschappers tot dat ene inzicht dat het verloop van hun carrière bepaalt? Daarover vertellen ze in de rubriek Eureka, elk weekend in het AD, verzorgd door de redactie van New Scientist. Deze week: Henny Bos, hoogleraar seksualiteit en gender aan de Universiteit van Amsterdam.

‘Ik doe onderzoek naar gezinnen met ouders van dezelfde sekse en naar jongeren die op hetzelfde geslacht vallen, zich lesbisch, homoseksueel of biseksueel noemen, en/of gender-nonconform zijn.

Aan het einde van mijn studie Pedagogiek ben ik een module gaan volgen bij de toenmalige vakgroep Homostudie aan de Universiteit Utrecht. Daar moest ik een klein onderzoekje doen. Dat bleek echt iets voor mij te zijn. Je hebt een vraag, gebaseerd op een maatschappelijk probleem, gecombineerd met een wetenschappelijk idee. Dat ga je toetsen door middel van dataverzameling en vervolgens weet je of het wel of niet klopt. Dat vond ik leuk, spannend en zowel wetenschappelijk als maatschappelijk relevant.

De lancering van een tijdmachine
LEES OOK
De lancering van een tijdmachine

Mijn eurekamoment beleefde ik in 1999. Ik deed met Theo Sandfort een onderzoek in opdracht van de gemeente Utrecht naar gezondheidsproblemen bij heteroseksuele en homoseksuele mannen en vrouwen. Het internet stond nog in de kinderschoenen en sociale media bestonden nog niet. Voor ons was het gemakkelijk om via de reguliere homokringen en bijvoorbeeld het COC homo’s en lesbiennes te vinden. Hetero’s moesten we uiteraard via andere kanalen bereiken. Gelukkig wilde de gemeente Utrecht ons daarmee helpen. Ze trokken een steekproef uit de gemeentelijke basisadministratie en schreven deze mensen aan om mee te doen aan ons onderzoek. In de vragenlijst zat ook een vraag over seksuele identiteit. De meerderheid was, zoals te verwachten valt, heteroseksueel. Maar 9% van de mannen en 12% van de vrouwen bleek LHB te zijn. We hadden dus een groep te pakken die we voorheen, met werving via de andere kanalen, nog niet eerder bereikt hadden.

Deze methode klinkt misschien voor de hand liggend, maar voor ons was het revolutionair, zeker in die tijdsgeest. Het bracht ons op het idee om in de toekomst mee te liften met andere onderzoeken naar gezondheid (bijvoorbeeld onder jongeren) door één vraag toe te voegen (namelijk over seksuele identiteit of attractie). Door mee te liften krijg je gegevens te pakken die beter generaliseerbaar zijn.’