Langzaam maar zeker nadert de opening van de Olympische Spelen in Londen. Een centrale gebeurtenis elke vier jaar is de ontsteking van de Olympische vlam. Achtduizend fakkels ontworpen door de Britten Edward Barber en Jay Osgerby zorgen ervoor dat de Olympische vlam, via een parabolische spiegel uit zonlicht ontstoken in Olympia in Griekenland, na een reeks van omzwervingen de Britse hoofdstad bereikt.

De toorts is driehoekig – geïnspireerd door de drie woorden in het Olympisch motto, citius, altius, fortius ofwel sneller, hoger, sterker – en is tachtig centimeter lang. De massa bedraagt 800 gram, dat valt nog gemakkelijk te torsen. De aluminium ‘huid’ bevat achtduizend gaten, zodat in totaal 64 miljoen gaten moesten worden gestanst voor het gehele fakkelarsenaal. Een coating van titaannitride verschaft de toortsen een goudkleurig uiterlijk.

De moderne toorts verbrandt een mengsel van propaan en butaan. Dat levert een stabiele vlam die zichtbaar is. Voor het transport per vliegtuig ontwikkelden de ontwerpers een variant op de veiligheidsmijnlamp van Sir Humphry Davy, waarin de vlam ongestoord kan blijven branden. Immers, de vlam moet blijven branden. Opnieuw aansteken met een lucifer of sigarettenaansteker is uit den boze, het heilige vuur moet vanaf het magische moment in Griekenland ononderbroken worden doorgegeven. Die veiligheidslampen bevatten dan ook tijdens de maandenlange Olympische exercitie continue een betrouwbare backup.

‘Er is heel veel mis  met de p-waarde’
LEES OOK

‘Er is heel veel mis met de p-waarde’

De p-waarde is tegenintuïtief en wordt vaak onjuist gebruikt, stelt wiskundige Rianne de Heide. We moeten naar een alternatief.

Het is niet altijd zo’n eenvoudig gasmengsel geweest. Ooit bestonden toortsen uit in hars gedrenkte stokken, soms voorzien van pek, olie of andere aardolieproducten of – nog Griekser – olijfolie. In 1948 beschreef Natuur & Techniek een volgende stap in de ontwikkeling van de Olympische toorts, voor de XIVe Olympische Spelen in Londen. De toortsen bevatten pastilles bestaande uit hexamine, waaraan voor een zichtbare vlam naftaline was toegevoegd. Een veer drukte een stapeltje van zeven pastilles omhoog, een nitraathoudend schijfje daarbovenop vergemakkelijkte het ontsteken. Een nitrocellulosefilm moest de brandbare vulling beschermen tijdens transport. Een metalen kap, vastgehouden met plakband, sloot de vulling luchtdicht af.

Veilig bevindt de Olympische vlam zich aan boord van een vliegtuig in een veiligheidslamp.

Het was een fraai staaltje toegepaste chemie anno 1948. Perfect was het niet, mede door de kwetsbare, brandbare nitrocellulosefilm. Bij latere Spelen paste men modernere brandstoffen toe. Vooral de ontsteking van het Olympische vuur bij de openingsceremonie moest een beetje spectaculair zijn. In Melbourne in 1956 verbrandde de laatste Olympische toorts daarom een mengsel van magnesium en aluminium. Dat is een uiterst exotherme reactie, en de jonge atleet Ron Clarke hield brandwonden over aan zijn heroïsche bijdrage aan het Olympische schouwspel.

Nee, dan lijkt de moderne gasvulling een stuk veiliger. Sinds de Spelen in München zijn gascontainers met propeen of een mengsel van propaan en butaan gangbaar. Eerlijk gezegd, ik denk dat men dit jaar een kans gemist heeft. In het teken van deze tijd had men toch wel kunnen kiezen voor biogas. Qua duurzaamheid een druppel op een gloeiende plaat als je de hightechfabricage van de Olympische toortsen beschouwt, maar toch.