Bewegingswetenschapper Nikki Kolman ontwierp een specialistisch meetsysteem voor de talentvolle tennisser. Haar data moeten de tennistop van morgen een voorsprong geven. ‘Nauwkeurigheid is een voorspeller van later succes.’

Nederland heeft na de generatie Krajicek-Schalken lang niet echt meegeteld in tennis. Een nieuwe lente dient zich aan met Botic van de Zandschulp en Tallon Griekspoor in de mondiale subtop. Wellicht wordt die lente ooit zomer met behulp van bewegingswetenschapper Nikki Kolman en haar D4T, een compleet technisch-tactisch meetsysteem voor de tennistrainer.

Kolman reisde stad en land af voor haar promotieonderzoek. Met de volgeladen wagen van haar moeder trok ze langs ettelijke tennisscholen, van Groningen tot Rotterdam, en uiteindelijk het nationale tenniscentrum in Amstelveen. Allemaal om data te verkrijgen voor haar Dutch Technical-Tactical Tennis Test, ofwel D4T. Kolman: ‘De auto zat vol met testinstrumenten. Een ballenmachine natuurlijk, een ton met ballen, een snelheidsradar, pylonnetjes, lampen, en kleden. Die kleden naaide ik zelf aan elkaar en vormden de zone waar een speler de bal in moest mikken.’

Simon van Gaal: ‘Te veel stress voor een topprestatie is niet goed, te weinig opwinding ook niet’
LEES OOK

Simon van Gaal: ‘Te veel stress voor een topprestatie is niet goed, te weinig opwinding ook niet’

Wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam hebben in kaart gebracht wat de optimale stand van het brein is om zo goed m ...

72 ballen

Kolman volgde de talentvolle tennisjeugd een paar jaar om meer inzicht te krijgen in hun tactische en technische vaardigheden. Voor haar onderzoek bestudeerde ze maar liefst 40 studies over techniek en tactiek. ‘Het viel me op dat die twee vaak apart werden behandeld. In mijn D4T heb ik ze gecombineerd, want techniek en tactiek zijn onlosmakelijke vaardigheden bij het tennis.’

De techniek van de spelers werd getest met behulp van het ballenkanon, dat telkens 72 ballen uitspuwde, op verschillende plekken in het veld en met verschillende snelheden. Waar de spelers de bal naartoe moesten slaan werd bepaald door lampen links en rechts, die pas aanfloepten nadat de bal het kanon had verlaten.

Kolman: ‘We hebben de spelers getest op nauwkeurigheid, balsnelheid, foutenpercentage en balrotatie (hoeveelheid spin). Nauwkeurigheid is een belangrijke voorspeller van later succes. Spelers tot 14 jaar die de bal in complexe situaties zuiver konden spelen, waren bij de spelers tot 18 jaar ook de beteren; denk aan een bal uit een moeilijke hoek halen, of weinig tijd om aan te leggen voor de slag. We hebben het absolute mikpunt niet in de uiterste hoek van de baan gelegd, omdat je bij tennis ook een marge moet houden. Als je een bal uitslaat, ben je het punt kwijt.’

Goed gesprek

Naast de D4T ontwierp Kolman een vragenlijst. Tennissers moesten vragen beantwoorden over tactiek, zoals het veranderen van speelstijl tijdens de wedstrijd, of het kiezen van het juiste moment voor een zogenaamd dropshot. Kolman: ‘De uitslag geeft speler en coach inzicht in de tactische vaardigheden van de speler. Een speler kan zichzelf tactisch sterk vinden, en aangeven dat hij heel goed weet wat hij moet doen bij een dropshot, terwijl de coach zoiets helemaal niet terugziet op de baan. Dan heb je gelijk een goed gesprek tussen die twee over de tactiek. Dat helpt een speler alleen maar vooruit.’

U heeft een mooi systeem opgetuigd. Kan een trainer niet op zijn fingerspitzengefühl afgaan?

‘Data worden steeds belangrijker in het tennis. Bij Daviscupwedstrijden heb je data-analisten die tegenstanders vooraf bekijken, en de speler een statistisch plaatje van diens slagen voortoveren. Individuele topspelers doen hetzelfde. Ik ben daar een groot voorstander van. Data helpt coach en speler in hun weg naar de top.’

Wat is uw doel met D4T?

‘We hebben het ontwikkeld voor de tennisbond. Alle jeugdige topspelers kunnen ermee worden gemeten. Tennisscholen kunnen het ook gebruiken, maar dan moet je wel de nodige apparatuur hebben.’

U heeft zelf op hoog niveau getennist: u had speelsterkte 3. Ging het trainen er vroeger anders aan toe?

‘Het adagium was: zoveel mogelijk een beweging erin slijpen, bijvoorbeeld een topspinbackhand, dan komt het goed. Nu wordt er meer naar de uitkomst gekeken. Een speler wordt gevraagd om een bal met zijspin half court de baan uit te spelen. Die weet zelf vaak wel hoe die een bal moet raken voor een bepaald effect. Spelers verschillen veel qua lichaamsbouw, kracht en souplesse, daar is geen one size fits all-techniekaanwijzing voor te geven.’

Hoe is het toptennis geëvolueerd in de afgelopen 60 jaar, van Tom Okker tot de Spaanse topper van nu, Carlos Alcaraz?

‘Er is veel veranderd. De rackets zijn groter en van kunststof, de snaren zijn beter geworden. Toptennis is tegenwoordig veel fysieker. Kijk eens naar Alcaraz en Jannik Sinner: die kunnen niet alleen goed tennissen, het zijn ook geweldige atleten. John McEnroe, briljant in zíjn tijd, zou nu absoluut niet meer meekomen. Vergelijk zijn bovenarmen maar eens met die van Rafael Nadal. Vroeger gleden spelers alleen op gravel, tegenwoordig doen ze dat ook op hardcourt. Zoiets vraagt veel van je gestel. Vroeger kon je nog wel wegkomen met een mindere backhand; die kon je camoufleren met een geweldige service. Tegenwoordig moet je van alle markten thuis zijn.’

Serve-volley: dood en begraven?

‘Dat zag je vroeger vooral terug bij grastennis, toen Wimbledon nog van die snelle banen had. Sinds het gras daar langzamer is geworden, zie je veel meer rally’s vanuit het achterveld. Misschien heeft de legendarische overwinning van Nadal op Roger Federer in 2008 ook wel een zetje gegeven aan de baseliners. Die kregen het gevoel dat er ook voor hen iets te halen viel op Wimbledon. En natuurlijk zijn spelers veel beter gaan retourneren. Met André Agassi en later Andy Murray als voorbeeld. Als je nu oploopt bij een gemiddelde service, loop je geheid kans op een scherpe passeerbal.’