Hoe komen wetenschappers tot dat ene inzicht dat het verloop van hun carrière bepaalt? Daarover vertellen ze in de rubriek Eureka, elk weekend in het AD, verzorgd door de redactie van New Scientist. Deze keer: Dieuwerke Bolhuis, onderzoeker bij de universiteit van Wageningen.

‘Van jongs af aan vond ik het thema voedsel razend interessant. Ik weet nog goed dat ik vroeger in de supermarkt nooit de lekkerste koekjes kocht, omdat ik er dan te veel van zou eten.

De laatste vijftien jaar doe ik onderzoek naar voedselinname en verzadiging en dat heeft bij mij geleid tot een groot inzicht. In 2015 werkte ik aan de Deakin-universiteit in Australië, waar we onderzoek deden naar de invloed van vet en zout op hoeveel men at. Ik maakte pastamaaltijden met verschillende hoeveelheden vet en zout. Deze ingrediënten bleken niet zoveel te doen: het aantal grammen dat men at was gelijk. Belangrijker was hoe men at, niet wat men at. Een deel van de mensen at met een vork, en de rest met een lepel. De eerste groep at significant minder, doordat ze kleinere happen namen en dus minder snel aten. Opeens begreep ik het. Het gaat niet alleen om de ingrediënten, maar vooral om hoe snel je eet.

Verrassingen uit het vriesvak
LEES OOK
Verrassingen uit het vriesvak

Dat geldt net zo goed voor het innemen van een vloeibaar product. Als je iets drinkt met een rietje, dan neem je minder tot je dan wanneer je grote slokken neemt.

Mensen vragen mij wel eens om voedingstips. Ik zeg dan steevast: neem kleine happen vezelrijk voedsel dat je goed moet kauwen, dan raak je sneller verzadigd en eet je minder.

Uiteindelijk bepaalt ook de textuur hoe en daarmee ook hoeveel je van iets eet. Onlangs at ik een groentequiche van de Albert Heijn met bijna geen textuur. In no time had ik zeshonderd calorieën binnen, en na afloop was mijn honger niet gestild. Ik dacht iets gezonds te hebben gegeten, maar dat viel erg tegen.’