Grote kuifpinguïns verwaarlozen het eerste ei van het broedseizoen, en concentreren hun zorgen op het tweede. Zo zou het tweede, grotere ei een overlevingskans krijgen, denken biologen. Maar het nut van het eerste ei blijft raadselachtig.

Wanneer grote kuifpinguïns het eerste ei van het seizoen leggen, bevat hun lijf nog niet de juiste ouderschapshormonen om goed voor hun kroost te kunnen zorgen. Dit ei laten ze dan ook links liggen. Pas bij het tweede ei is de voortplantingsparaatheid hoog genoeg om een kuiken te kunnen grootbrengen. Dit ei is groter en er zitten meer voedingsstoffen voor het kuiken in, en daardoor heeft het een grotere kans om een succesvolle nakomeling voort te brengen.

Moeder pinguïn steekt al haar energie in dit tweede ei, zodat ze haar kroost alle zorg kan geven die het nodig heeft. Dat concludeerden zoöloog Lloyd Davis, verbonden aan de Nieuw-Zeelandse Universiteit van Otago, en zijn collega’s.

Afgelegen gebied

In 1998 deed Davis al onderzoek naar grote kuifpinguïns. Omdat de dieren in een klein en afgelegen gebied leven, een eiland honderden kilometers ten zuiden van Nieuw-Zeeland, is het moeilijk om de pinguïnpopulaties te onderzoeken. Daarom vormen Davis’ observaties uit de vorige eeuw nog altijd de meest uitgebreide verzameling gegevens die beschikbaar is. Diezelfde gegevens gebruikte Davis ook bij zijn meest recente onderzoek.

‘Er is heel lang verkeerd naar een alzheimermedicijn gezocht’
LEES OOK
‘Er is heel lang verkeerd naar een alzheimermedicijn gezocht’

Samen met collega’s bestudeerde hij in 1998 de pinguïns tijdens het broedseizoen, van eind september tot eind oktober. Hij mat de afmetingen en gewichten van eieren, en telde het aantal dagen tussen de leg van het eerste en tweede ei. Ook observeerde hij het gedrag van de ouder-pinguïns tijdens het broeden.

In 2003 stelde Davis al een gedeeltelijke verklaring voor: het migratiepatroon van de pinguïns zou het hen moeilijk maken om genoeg voedsel voor twee kuikens in hetzelfde seizoen te vinden. Daarom zouden de dieren zich noodgedwongen op slechts één ei concentreren. Maar dat verklaart niet waarom de pinguïns steevast twee eieren leggen, en waarom het ei met de grootste overlevingskans telkens het tweede ei is.

Verschillende hypothesen

Volgens vogelecoloog Christiaan Both, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, komt het regelmatig voor dat vogelkroost verloren gaat. ‘Veel soorten broeden twee eieren uit, maar laten het tweede jong vervolgens opeten door zijn broertje of zusje. Dat is bijvoorbeeld bij arenden het geval’, zegt hij. Maar grote kuifpinguïns broeden maar één ei uit: het tweede van het broedseizoen. Bovendien is dat tweede ei aanzienlijk groter dan het eerste. ‘Het vreemde is dat deze pinguïns het eerste ei wel leggen, maar het vervolgens niet uitbroeden. Dat vind ik erg fascinerend.’

Een van de mogelijke verklaringen is dat het kleinere ei een ‘verzekering’ zou zijn. ‘De pinguïns kunnen zo op meerdere paarden wedden’, zegt Both. ‘Daarmee proberen ze hun voortplanting zo hoog mogelijk te houden.’ Mocht het grootste ei geen nakomelingen opleveren, dan heeft de moederpinguïn dus nog een reserve achter de hand. Maar Davis toont nu aan dat sommige moederpinguïns het eerste ei al het nest uit kieperen voordat ze het tweede gelegd hebben.

Grote kuifpinguïns stammen af van een voorouder die ook twee eieren legde. Ergens op de evolutionaire tijdlijn werd het moeilijker om beide nakomelingen groot te brengen, waardoor het logisch was geweest om maar één ei te leggen.

Geen tweede kans

Een mogelijke verklaring is dat het eerste ei een generale repetitie is, omdat eieren leggen door het korte broedseizoen een alles-of-niets-kwestie is. ‘De voortplantingsorganen van vogels zijn buiten het broedseizoen heel klein. Als ze zich willen voortplanten, moeten ze dus die organen weer helemaal opbouwen’, zegt Both. ‘Dan moet het ei dat je legt, wel een goed ei zijn, want er is geen tweede kans. Daarom zou hun eerste ei een test kunnen zijn, om te zien of alle organen goed werken.’

Toch is Both niet enthousiast over de manier waarop het onderzoek is uitgevoerd. ‘Het is jammer dat deze studie maar op een enkel seizoen is gebaseerd’, zegt hij. ‘Ecologische omstandigheden, zoals voedselvoorraden, kunnen enorm verschillen per jaar. Dat kan invloed hebben op de resultaten. Daarom moet je een populatie langer volgen, als je een generaliserende uitspraak wilt doen. Dit onderzoek beschrijft eigenlijk een anekdote.’