Onderzoekers hebben ontdekt hoe hiv levenslang verstoppertje speelt met het immuunsysteem. Het virus blokkeert de aanmaak van ‘voelsprietjes’ op immuuncellen. Daardoor blijft hiv onvindbaar voor het immuunsysteem.

Eindelijk begrijpen we waarom hiv hardnekkig in het lichaam van patiënten blijft sluimeren na behandeling. Het team van immunoloog Shokrollah Elahi aan de Universiteit van Alberta in Canada heeft ontdekt dat het virus de aanmaak blokkeert van bepaalde ‘voelsprietjes’ op immuuncellen, waardoor het onzichtbaar is voor het immuunsysteem. Dit inzicht kan bijdragen aan een betere behandeling van latente hiv.

Dankzij anti-retro-virale therapie (ART) is een infectie met hiv niet langer het doodvonnis dat het vroeger was. Maar hoewel de therapie effectief is, verstopt het virus zich in de organen van behandelde patiënten, onopgemerkt door het immuunsysteem. Daardoor moeten geïnfecteerden hun leven lang ART blijven gebruiken: als ze ermee stoppen komt de hivinfectie gewoon weer terug.

'Koudwaterkoraalriffen zijn de regenwouden van de oceaan'
LEES OOK
'Koudwaterkoraalriffen zijn de regenwouden van de oceaan'

Vastgekleefde voelsprieten

De wetenschappers wilden weten waarom hiv niet uit het lichaam te krijgen is. Hiervoor analyseerden ze immuuncellen van 102 hiv-patiënten, die wel of niet onder behandeling waren. Ze bestudeerden hiv-deeltjes, immuuncellen en RNA, door er fluorescente labels aan te koppelen.

Elahi’s team onderzocht specifiek de de T-cellen, de soldaten van ons immuunsysteem. Normale T-cellen hebben een soort ‘voelsprietjes’ om ziekteverwekkende virussen en bacteriën op te sporen. Deze voelsprietjes zijn opgebouwd uit het eiwit CD73. Elahi kwam erachter dat de onderzochte hiv-patiënten minder CD73 voelsprieten aanmaken. Ook bleken de immuuncellen minder effectieve soldaatjes: ze vingen en doodden minder virusdeeltjes. Het virus onderdrukt dus het immuunsysteem, zodat het niet wordt opgespoord en uit de weg geruimd.

Om de CD73-voelsprietjes te maken, moet de code van dit eiwit worden afgelezen van een blauwdruk: het RNA. Bij hiv kan de RNA-blauwdruk voor de immuunvoelsprieten niet worden afgelezen, doordat hiv-patiënten een constante ontsteking in het lichaam hebben. Hierdoor worden er kleine stukjes RNA geproduceerd, zogenaamd microRNA, die perfect passen op de RNA-blauwdruk voor de voelsprietjes. Ze kleven eraan vast, waardoor de blauwdruk niet meer kan worden afgelezen, en er geen voelspriet-eiwit wordt gemaakt.

Het hiv-virus blijft latent in het lichaam aanwezig, verstopt in cellen. Beeld: Science Photo Library, NTB scanpix, Nasjonal Digital Laerningsarena. CC1.0

Voelsprieten terugzeten

‘Het vernieuwende van Elahni’s onderzoek is dat hij aantoont dat immuuncellen met minder CD73 minder efficiënt ziekteverwekkers vangen en opsporen’, stellen de onderzoekers Theo Geijtenbeek, hoogleraar immunologie en universitair hoofddocent infectieziekten Neeltje Kootstra die beide werkzaam zijn aan het Amsterdam UMC en niet bij het onderzoek van Elahni betrokken waren.

Elahi en zijn collega’s stellen voor om in de toekomst het CD73-DNA te bewerken met gentechnologie, zodat het veel meer voelspriet-eiwitten aanmaakt. Hierdoor krijgen de immuuncellen weer voelsprietjes, zodat ze hiv effectief kunnen opsporen en uitroeien.

Geen heilige graal

Geijtenbeek en Kootstra betwijfelen of dit echt de oplossing is van het hiv-raadsel. ‘Hiv-patiënten hebben een chronische ontsteking, wat ook voelsprietjes kan verminderen. CD73 hoeft er dus niet de hoofdoorzaak van te zijn dat hiv het immuunsysteem te slim af is.’

‘Het is zeer welkom als we één stofje vinden dat het hele verhaal van sluimerende hiv kan verklaren’, reageert ook internist-infectioloog Casper Rokx aan het Erasmus Medisch Centrum, die ook niet betrokken was bij het onderzoek. ‘Ondanks de mooie resultaten van dit experiment vrees ik dat ook CD73 niet de heilige graal is. Was het maar zo makkelijk. Het is een interessant radertje in dit fundamentele vraagstuk, maar er is meer onderzoek nodig voordat hieruit daadwerkelijk een medische behandeling voort kan komen,’ zegt Rokx.