Afgelopen september maakten onderzoekers de ontdekking van fosfinegas in de atmosfeer van Venus wereldkundig. Ze stelden daarbij dat het een potentieel teken van leven is, omdat er geen niet-biologisch proces bekend is dat de gemeten hoeveelheid gas kan produceren. Een ander team onderzoekers heeft nu de gegevens van de studie onderworpen aan een nieuwe analyse. Zij vinden helemaal geen aanwijzingen voor fosfinegas op de planeet.

Het oorspronkelijke onderzoek, geleid door astronoom Jane Greaves van de Universiteit van Cardiff, bestudeerde hoe licht geabsorbeerd wordt wanneer het door de Venusiaanse atmosfeer reist. Die reis laat donkere absorptielijnen achter in het lichtspectrum. Het team van Greaves vond een absorptielijn en identificeerde die als fosfine.

De Nederlandse astronoom Ignas Snellen van de Universiteit Leiden analyseerde samen met collega’s de gegevens opnieuw. Zij vonden de absorptielijn echter niet terug in de meetgegevens. Ze beweren dat hun methode voor het analyseren van de data minder gebreken kent.

Nepsignalen

Volgens astrofysicus Christopher Conselice van de Universiteit van Manchester, die bij geen van beide studies betrokken is, gebeurt zoiets best vaak binnen de sterrenkunde: detecties bij bepaalde objecten verdwijnen wanneer andere onderzoekers de gegevens analyseren.

De gegevens zijn in dit geval verzameld met behulp van interferometrie. Hierbij gebruiken onderzoekers niet één telescoop, maar een opstelling van meerdere telescopen die de signalen opvangen. Deze gegevens worden vervolgens tot een geheel samengevoegd. ‘[Dit] is waarschijnlijk een van de meest complexe types astronomische data om te analyseren’, zegt Conselice.

Vanwege de complexiteit van de verzamelde informatie, bestaan er vele manieren om deze te verwerken. Zo moeten ruis en verstoringen uit de gegevens verwijderd worden. Snellen en zijn team zeggen dat de methode die de onderzoekers voor dit doel gebruikten fouten bevat. Het voegt volgens Snellen onechte signalen toe aan de data, waaronder het signaal voor fosfinegas. Tijdens een poging om de verwerking van de gegevens te repliceren, zag het team dat er daarnaast nog vijf valse absorptie- of emissiesignalen zijn ontstaan.

Ruimtesonde BepiColombo kan wellicht uitkomst bieden. Op weg naar Mercurius passeert het vaartuig de komende tijd twee keer de planeet Venus. Hierbij zou het waarnemingen kunnen doen om de kwestie te beslechten. Beeld: ESA/ATG Medialab

Nieuwe waarnemingen

‘Het kernpunt dat deze studie naar voren brengt, is een belangrijke, ongeacht hoe deze zaak afloopt’, zegt astrofysicus Brad Gibson van de Universiteit van Hull. Conclusies proberen te trekken uit gegevens die zoveel ruis bevatten, is ontzettend lastig, zegt hij. ‘Het demonstreert de fundamentele uitdaging van werken aan belangrijke en spannende wetenschap, terwijl je tegelijkertijd tegen de limiet zit te werken van wat de kwaliteit van de data toelaat.’

De studie van Snellen en collega’s is nog niet onderworpen aan peer review, een toetsing door collega-wetenschappers. Daarom zijn sommige astronomen van mening dat het te vroeg is om te speculeren wat hun conclusies betekenen. Toch opperen sommigen alvast dat een nieuwe, onafhankelijke analyse van de data nodig is. Anderen menen dat het leveren van een sluitend antwoord onmogelijk is totdat er meer gegevens beschikbaar komen. ‘Alleen nieuwe waarnemingen stellen ons in staat om de aanwezigheid van dit gas met een potentiële biologische oorsprong te bevestigen’, zegt astrobioloog Abel Méndez van de Universiteit van Puerto Rico in Arecibo.

Dit alles volgt een eerdere kritische noot door astronoom Clara Sousa-Silva van het Harvard-Smithsonian Centrum voor Astrofysica in Massachusetts. Zij was zelf ook betrokken bij de oorspronkelijke waarnemingen van fosfine. Zij vond geen aanwijzingen voor fosfine op Venus in oudere infrarood-waarnemingen van de planeet.

Voorbeeldige wetenschap

De oorspronkelijke gegevens, die zowel het team van Greaves als van Snellen gebruikte voor hun onderzoek, zijn inmiddels verwijderd uit het publiekelijk toegankelijke archief waarin alle waarnemingen van het ALMA-observatorium (Atacama Large Millimetre/submillimetre Array) verschijnen. De reden hiervoor is dat er een mogelijk probleem zit in de vroege fases van de dataverwerking.

Onderzoekers van Greaves’ team gaan niet over tot commentaar totdat een nieuwe verwerking is toegepast. ‘Totdat dit proces compleet uitgevoerd is, kunnen we niet zeggen of deze kwestie invloed heeft op de gerapporteerde detectie van fosfine’, zegt een woordvoerder van ALMA.

‘Dit is een geweldig voorbeeld van hoe wetenschap werkt’, aldus Conselice. ‘We testen en bestuderen vragen uitvoerig, met name belangrijke vragen als deze. Uiteindelijk levert dit het juiste antwoord op. Zelfs als het proces pijnlijk kan zijn.’