Wetenschappers hebben schitterend bewaarde fossielen gevonden van een valdeurspin en een kleine springspin die miljoenen jaren geleden leefden. De fossielen laten zien hoe verschillende spinachtigen reageerden op een snel veranderend klimaat.

De twee fossiele spinnen zijn gevonden in een ijzerrijke bodem, op een recent ontdekte fossielenplek in New South Wales, in Australië. De eerste is de op één na grootste fossiele spin die ooit is gevonden. Het gaat om een nieuwe soort valdeurspin, Megamonodontium mccluskyi.

Er zijn slechts een handvol oude resten van spinnen gevonden in Australië. ‘Vandaag de dag zijn er volop spinnen in Australië, maar het fossielenbestand is bijna leeg’, zegt paleontoloog Matthew McCurry, werkzaam aan het onderzoeksinstituut van het Australian Museum. ‘En het is zeldzaam om exemplaren te vinden met zulke fijne details als deze. Beide factoren betekenen dat we veel kunnen leren van de nieuwe vondsten.’

Dossier: het raadsel mens
LEES OOK

Dossier: het raadsel mens

Ons lichaam bevat flink wat raadsels. We onderzoeken daar de verbazingwekkendste van en bespreken de bijzondere inzichten waar ze toe leiden.

Samen met collega’s beschreef McCurry de spinnenvondst in twee wetenschappelijke artikelen. Die publiceerden ze in het wetenschappelijk tijdschrift Zoological Journal of the Linnean Society.

Fossielenbestand

De nieuwe soort is slechts een centimeter lang – relatief klein naar moderne maatstaven, maar groter dan alle andere fossiele spinnen die tot nu toe zijn gevonden, op één na. De schaarste aan grote spinnen in het fossielenbestand heeft deels te maken met de manier waarop de meeste spinnen in fossielen veranderen. Veel spinnen zijn in barnsteen gevonden nadat ze vast waren komen te zitten in boomhars. Grotere spinnen kunnen daaruit makkelijker ontsnappen.

Megamonodontium mccluskyi. Beeld: Michael Frese.

De grootte en vorm van de poten, en de opvallende haren op de poten, hielpen bij het classificeren van het dier als horend bij de Barychelidae. Dat zijn valdeurspinnen, die prooien vangen met – hun naam zegt het al – een kleine valdeur boven een gat. Het is het eerste fossiel van die familie dat ooit is gevonden.

Nanometer

De tweede vondst is een kleine springspin uit het geslacht Simaetha. Hoewel hij slechts 2 millimeter lang is, is hij zo goed bewaard gebleven dat wetenschappers de interne structuren tot op een paar nanometer nauwkeurig kunnen onderzoeken.

Microscopische beelden tonen de lenzen van de frontale ogen van de spin. Ook zijn er nog kleinere details te zien, waaronder het maagdarmkanaal en individuele axonen, uiteinden van hersencellen in het centrale zenuwstelsel.

De twee fossielen dateren uit het midden van het Mioceen, tussen 11 en 16 miljoen jaar geleden. Spinnen maakten toen spannende evolutionaire sprongen, zegt paleontoloog Michael Frese van de Universiteit van Canberra in Australië, die hielp bij de analyse van beide exemplaren. ‘Hoewel ze aan dezelfde omstandigheden werden blootgesteld, ondergingen hun afstammingslijnen een verschillend lot’, zegt hij.

Barre omstandigheden

Springspinnen, zo suggereert de nieuwe vondst, zijn waarschijnlijk ontstaan in Australië en vervolgens gemigreerd naar Azië. Die theorie is in lijn met eerder onderzoek naar DNA-volgordes.

De Megamonodontium mccluskyi had minder geluk. Deze specifieke groep lijkt te zijn uitgestorven door barre nieuwe omstandigheden toen Australië begon af te koelen en veel droger werd.

‘Deze fossielen komen uit een tijd waarin de wereld snel veranderde’, zegt spinnendeskundige Barry Richardson van CSIRO in Australië, die het onderzoek naar de springspin leidde. ‘Aangezien we nu weer leven in een tijd van snelle milieuveranderingen, is het nuttig om te bestuderen hoe de natuur de vorige keer reageerde.’