Een CO2-vrije manier van energieopwekking die onbeperkt kan leveren. Het klinkt als de droom van iedere klimaatactivist, en toch bestaat er een hoop weerstand tegen kernenergie. In Waarom we niet bang hoeven te zijn voor kernenergie betoogt journalist Marco Visscher dat deze weerstand grotendeels gebaseerd is op misvattingen.

Dat kernenergie een imagoprobleem heeft, is niet vreemd. Generaties zijn opgegroeid met de voortdurende dreiging van een nucleaire oorlog. En de keren dat atoomsplitsing het achtuurjournaal haalde, was dat altijd als oorzaak van een grote ramp. Hiroshima, Nagasaki, Tsjernobyl en Fukushima staan in het collectieve geheugen gegrift.

Visscher analyseert hoe deze gebeurtenissen een schrikbeeld creëerden van een fenomeen waar slechts weinigen echt iets van begrijpen. Door het contrast te tonen tussen de feitelijke gezondheidsschade van straling en de beeldvorming in de media, laat hij zien hoe overtrokken deze angst eigenlijk is. In Fukushima leidde die angst zelfs tot meer schade dan de straling zelf: daar werd geen toename in stralingsgerelateerde ziektes gevonden, maar wel een grote stijging in depressies en angststoornissen.

Voordelen

Toch is het ontkrachten van irrationele angst niet per se een argument vóór kernenergie. De hamvraag – welke voordelen biedt kernenergie ten opzichte van andere groene energiebronnen – komt rijkelijk laat aan bod. Hoeveel kerncentrales we nodig hebben om klimaatneutraal te worden, wat voor prijskaartje daaraan hangt en of dat voordeliger is dan zonne- en windenergie zijn toch relevante vragen waar de auteur pas na een pagina of tweehonderd echt op ingaat.

Door de grote hoeveelheid achtergrondinformatie, soms puur anekdotisch, soms zuiver wetenschappelijk, blijft het boek ook los van dit vraagstuk zeer onderhoudend. Visscher weet in ieder geval feit van fictie te splijten.