Boren naar olie, dat gebeurt al decennia over de hele wereld. Waarom leiden de boringen van Shell op de Noordpool dan tot zoveel ophef?

DSC_1397
De bultrugwalvis is makkelijk te spotten door haar enorme spuitwolk die wel tot vier meter hoog kan zijn.

Het is alweer een week geleden dat ik aankwam op het door de middernachtzon roodgekleurde Spitsbergen en ik ben al aardig gesettled in het kleine stadje Longyearbyen. Ik kijk er niet meer van op dat mensen met een geweer rondlopen, ben eraan gewend dat het 24 uur per dag licht is en weet inmiddels met het beperkte aanbod van het lokale supermarktje toch een normale maaltijd te maken.

Spitsbergen staat natuurlijk niet bekend om het bruisende stadsleven, dus wilde ik na mijn eerste college’s zo snel mogelijk de natuur in! Longyearbyen ligt aan een kleine baai in de Isfjord en om wat van dit gebied te zien kun je het beste met de boot eropuit.

Het raadsel van de­ verdwenen antimaterie
LEES OOK
Het raadsel van de­ verdwenen antimaterie

Langs de steile bergwanden varen we richting Sveabreen, een van de vele gletsjers in de omgeving. Hier was eerder die dag een walrus gezien, wat tegenwoordig gelukkig niet zo heel uniek meer is. In de afgelopen eeuwen is er intensief op ze gejaagd waardoor de populatie bijna uitgestorven was. Sinds 1952 is het verboden om op ze te jagen; nu leven er meer dan 3.800 walrussen rond Spitsbergen.

Onderweg stuiten we al snel op een bultrugwalvis, die makkelijk te spotten is door haar enorme spuitwolk die wel tot vier meter hoog kan zijn. Hierna komen we dichter bij de gletsjer, waar overal ijsschotsen in het water drijven. Door het warmere water zijn deze in prachtige vormen gesmolten wat zorgt voor een onwerkelijke omgeving. Het gletsjerfront zelf is een dertig tot vijftig meter hoge muur van ijs, waarvan af en toe stukken afbrokkelen zodat de prachtige lichtblauwe kleur zichtbaar wordt. Ik waan me in een natuurfilm, en hoor bijna David Attenborough me vertellen hoe uniek dit stukje natuur is.

DSC_1561
Stukken ijs die afbrokkelen van gletsjers laten een prachtige lichtblauwe kleur zien.

Menselijke activiteiten

Natuurlijk draait mijn verblijf hier niet alleen om de sprookjesachtige omgeving vol wilde dieren, maar ben ik hier vooral om te leren over de opkomende industrie in dit gebied. Dankzij klimaatverandering smelt het zee-ijs en komt er een heel nieuw gebied vrij voor menselijke activiteiten. Vooral oliemaatschappijen zijn hierbij gebaat, om te kunnen voldoen aan de stijgende vraag naar energie. Deze week schreef de Volkskrant dat er veel risico’s voor het milieu aan kleven aan de recente ontwikkelingen van Shell in het Arctisch gebied. Maar waarom is er eigenlijk zoveel ophef over het zoeken naar olie in dit gebied, terwijl er vrijwel overal ter wereld al geboord wordt?

Het grote verschil is natuurlijk het klimaat. De extreem lage temperaturen – die zorgen voor ijsschotsen –  en het onvoorspelbare weer maken operaties moeilijk en vragen om aangepaste constructies. In de winter vriest de zee dicht en kan er niet gewerkt worden met als gevolg een enorme tijdsdruk. Zo is Shell net vertrokken naar Alaska, maar kan daar maar tot eind september aan het werk. Deze extreme omstandigheden zijn niet helemaal nieuw voor oliemaatschappijen. Er wordt namelijk al langer geboord naar olie in de lagere Arctische gebieden. BP boort al sinds de jaren zeventig  in de Prudhoe Bay in Alaska en het Russische Rosneft begon in 2010 met activiteiten in de Kara Zee. De omstandigheden verhogen echter wel de kans dat er iets misgaat. En wanneer dat gebeurt, zijn de gevolgen niet te overzien.

Dramatische impacten

Een klein olielek langs bijvoorbeeld de kust van de VS kan relatief snel en efficiënt opgeruimd worden, zonder al te grote gevolgen voor het milieu. Eenzelfde olielek in de Noordelijke IJszee kan echter dramatische  impacten hebben. Omdat het Arctisch gebied zo afgelegen en dunbevolkt is, is er niet voldoende infrastructuur, zoals havens en vliegvelden, om snel te handelen in geval van een ramp. In sommige gevallen kan het opruimen wel maanden duren. Daar komt nog eens bij dat het van veel van de technieken dit op dit moment beschikbaar zijn voor het opruimen van de olie, onduidelijk is hoe effectief ze zijn in combinatie met lage temperaturen en ijs. Zo kunnen bijvoorbeeld dispergeermiddelen – chemische stoffen die de olie afbreken tot kleinere druppels, zodat het door natuurlijke bacteriën verwerkt kan worden – waarschijnlijk minder effectief hun werk doen in de Arctische wateren.

Veilig opereren en effectief handelen bij een olieramp zijn dus grote uitdagingen voor oliemaatschappijen. Daarnaast zijn de effecten van olievervuiling op het Arctisch ecosysteem groter dan in andere regio’s. Bij de olieramp in de Golf van Mexico werd een groot deel van de olie afgebroken door bacteriën. Deze degradatie gaat echter veel langzamer bij koudere temperaturen en het is nog onduidelijk hoe, in combinatie met andere eigenschappen, dit zich in het Arctisch gebied zal gedragen. Het ecosysteem in dit gebied is extra kwetsbaar doordat de voedselketen maar uit weinig soorten bestaat. Elke soort is hierdoor belangrijk voor het systeem. Raakt er één verzwakt, dan beïnvloedt dat alle andere soorten in de keten. Bovendien is de korte zomer een belangrijke periode voor het ecosysteem. Primaire productie zoals fotosynthese is afhankelijk van licht en vindt dus vrijwel alleen in deze tijd plaats. Bovendien komen verschillende vogelsoorten uit ander gebieden naar het hoge noorden om te broeden. Als er in deze periode iets misgaat, kan het pas de volgende zomer hersteld worden.

De Noordpool biedt dus vele mogelijkheden voor industrie, maar de combinatie van extreme omstandigheden en een kwetsbaar ecosysteem brengt grote uitdagingen met zich mee.  De vraag is of we op dit moment die uitdagingen al aan kunnen.

Volgende week zal ik daarom ingaan op de maatregelen die al zijn genomen door zowel bedrijven als overheden om de onwerkelijk mooie natuur, waar ik eerder deze week zo van heb mogen genieten, te beschermen.

Altijd op de hoogte blijven van het laatste wetenschapsnieuws? Meld je nu aan voor de New Scientist nieuwsbrief. 

Lees ook: