Na tientallen jaren aan onderzoek is het effect van behandelingen voor psychische stoornissen nog steeds beperkt. Het wordt tijd dat te onderkennen, stelt arts en systeemtherapeut Flip Jan van Oenen.

De zorg voor patiënten met anorexia moet ­beter. Dat stelde een groep kinderartsen en psy­chiaters, die recent een plan van aanpak opstelde voor ­minister De Jonge van Volks­gezondheid. Hun pleidooi: we moeten de eetstoornis anorexia nervosa eerder ­herkennen en mensen die ­eraan lijden sneller naar de juiste hulpinstantie verwijzen en sneller behandelen. Die wens tot actie is begrijpelijk, want anorexia is een akelige aandoening die relatief vaak een ernstig verloop kent: 10 procent van de cliënten overlijdt aan de gevolgen ­ervan.

Er is alleen één probleem: we weten nog altijd niet goed hoe we anorexia moeten aanpakken. Uit alle onderzoeken komt naar voren dat anorexia een ongrijpbare psychische stoornis blijft waarbij behandeling vaak weinig succesvol is. De eerlijke boodschap zou dus zijn, hoe verdrietig ook: voor veel cliëntes – het zijn bijna allemaal jonge vrouwen – kunnen we het probleem niet oplossen en een aantal jonge vrouwen zal eraan overlijden. En er is geen enkele reden om aan te nemen dat dit in de nabije toekomst ­anders zal worden.

'Xenotransplantaties gaan voor een revolutie in de geneeskunde zorgen'
LEES OOK
'Xenotransplantaties gaan voor een revolutie in de geneeskunde zorgen'

Mythe van vooruitgang

Dit is echter een boodschap die nergens gehoord wordt. Behandelaars lijken de povere resultaten stelselmatig te ­negeren en de eigen onmacht te ontkennen. Je zou kunnen stellen dat het vakgebied in de greep is van een ‘mythe van vooruitgang’. Er wordt voor allerlei stoornissen al ­decennialang geschermd met ‘nieuwe, wetenschappelijk bewezen behandelmethodes’ die effectiever zouden zijn dan voorgaande behandelingen. Terwijl, als we naar de wetenschappelijk bewezen feiten kijken, deze claim ­nergens op gebaseerd is.

We weten namelijk nog ­altijd niet hoe psychotherapie werkt. We kunnen alleen maar constateren dat de ene therapeut het wat beter lijkt te doen dan de andere, zonder dat we er de vinger op kunnen leggen waar hem dat in zit.

En hoewel vaststaat dát ­psychotherapie werkt, is het effect bescheiden en heeft lang niet iedereen er baat bij. Verder is, hoewel er in de ­afgelopen ­decennia tientallen nieuwe ‘evidence-based’ behandelmethodes ontwikkeld zijn, de effectiviteit van psychotherapie niet toegenomen: iedere keer als men hoopte een nieuwe en betere therapie te hebben ontwikkeld, bleek deze hoop vals. Toch blijven therapeuten en wetenschappers, gedreven door een mix van doorgeschoten marktideologie, wetenschappelijke blikvernauwing en menselijke tekortkomingen, hardnekkig vasthouden aan de mythe van vooruitgang.

Valse hoop

Nu kun je zeggen: ‘Ach, wat geeft dat. Hoop doet leven.’ Maar wat wetenschappelijk onderzoek ons eveneens kan leren: hoop is een gevaarlijk goedje. Zo blijkt dat mensen die op een wachtlijst staan minder snel opknappen dan mensen met dezelfde problematiek die niet op een wachtlijst staan. Kennelijk tast het wachten op een oplossing van buitenaf ons eigen herstel­vermogen aan.

En wanneer de geboden hoop vals blijkt, is het onvermijdelijke gevolg dat cliënten teleurgesteld raken. Ook ­ondermijnt valse hoop de ­solidariteit met mensen die lijden onder psychische klachten. Terwijl we iemand die lijdt onder een hardnekkig virus of een onbehandelbare vorm van kanker met veel compassie bejegenen, zeggen we tegen iemand die somber is of aan een eetstoornis lijdt al gauw: ‘Ga dan naar een betere therapeut; die kan het oplossen.’ Als de resultaten dan tegenvallen, kan dit leiden tot de gedachte: ‘Er zijn zoveel effectieve therapieën! Als ze daar niet van profiteert, zal het wel aan haarzelf liggen!’ Zo zien we dat valse hoop een oorzaak wordt van het psychisch lijden dat hij zou moeten bezweren.

Het wachten is nu op een commissie die durft te stellen: ‘Er is geen enkel zicht op dat we in de nabije toekomst een meer effectieve behandeling voor anorexia kunnen bieden.’ En, in bredere zin: ‘Psychotherapie zit aan haar plafond. Veel lijden kunnen we niet wegnemen; wen er maar aan.’

Pas als we ophouden valse hoop te bieden, kunnen we solidair zijn met cliënten en hun naasten. Pas dan kunnen we beginnen hen werkelijk te helpen om lijden en onmacht te verdragen.

Flip Jan van Oenen is arts en systeemtherapeut. Eind vorig jaar verscheen van zijn hand het boek Het misverstand psychotherapie.

Het misverstand psychotherapie
Het misverstand psychotherapie is te bestellen in onze webshop.