Hoe komen wetenschappers tot dat ene inzicht dat het verloop van hun carrière bepaalt? Daarover vertellen ze in de rubriek Eureka, elk weekend in het AD, verzorgd door de redactie van New Scientist. Deze keer: Sigrid Suetens, hoogleraar gedragseconomie aan de Tilburg University.

‘Een jaar of tien geleden deed ik onderzoek naar etnische discriminatie. Ik vroeg me af of deze vorm van discriminatie voortkomt uit stereotypering of dat het echt in de preferentie, ofwel de voorkeur, van mensen zit?

Ik wilde weten wat het mechanisme achter die discriminatie is, want als je dat weet, kun je ook aanbevelingen doen voor beleid. Dit onderzoek heeft mij geïnspireerd om dieper in deze materie te duiken en zo ben ik gaan onderzoeken of contact met etnische minderheden een effect heeft op preferenties.

‘Ik wil uiteindelijk een mooie ribeye-steak maken’
LEES OOK

‘Ik wil uiteindelijk een mooie ribeye-steak maken’

Tien jaar geleden presenteerde Mark Post de eerste in het lab gemaakte hamburger. Wanneer kunnen wij daar onze tanden in zetten?

Dit leidde bij mij en mijn team tot een mooi moment van inzicht. Tot 2014 kwamen er in Nederland ongeveer 20 duizend asielzoekers per jaar binnen. Tijdens de Europese vluchtelingencrisis in 2015 steeg dit aantal tot 50 duizend.

We vroegen ons af wat het gevolg van de komst van de asielzoekers betekende voor mensen die asielzoekers in hun buurt kregen, vergeleken met een groep waar geen asielzoekers werden geplaatst. Om deze vraag te beantwoorden hebben we data over de locatie van asielzoekers, verkregen van het Centraal Orgaan voor Asielzoekers (COA), gekoppeld aan data uit het LISS-panel, een representatieve doelgroep die uit ongeveer 5000 huishoudens bestaat. Dit panel beantwoordt elk jaar vragen, onder meer over hun houding tegenover immigranten en etnische diversiteit, en hun politieke voorkeuren.

Sigrid Suetens

Wat bleek? Bewoners die in de buurt woonden van een nieuw geopend asielzoekerscentrum, ontwikkelden een positievere houding tegenover immigranten in vergelijking met mensen die verder weg wonen. Ook waren ze minder geneigd om anti-immigratiepartijen te steunen.

Deze uitslag is tegelijkertijd bijzonder en niet bijzonder. Bijzonder omdat een partij als de PVV echt gigantisch veel meer succes heeft dan de jaren hiervoor. Maar ook niet bijzonder, omdat door ontmoeting vooroordelen kunnen worden tegengegaan, en scheidslijnen tussen groepen worden overbrugd, zoals reeds in 1954 is geopperd door de Amerikaanse psycholoog Gordon Allport.

De resultaten geven verder aan dat kleinschaligheid van opvangplaatsen en aandacht voor het informeren en betrekken van buurtbewoners factoren zijn om rekening mee te houden.’