Wat gebeurt er in het brein bij depressies en zijn ze te voorkomen? Die vragen staan centraal in het onderzoek van Marie-José van Tol, adjunct-hoogleraar stemming & cognitie. Dankzij een Vidi-beurs onderzoekt ze bovendien de nasleep.

Met een beetje fantasie heeft Marie-José van Tol haar carrière voor een deel te danken aan Erik Scherder, hoogleraar neuropsychologie aan de VU-Amsterdam. Ze volgde een gastcollege van hem en toen hij vol enthousiasme vertelde over de prefrontale cortex, neurotransmittersystemen en de prefrontale schors, was ze verkocht: dit moet ik doen!

Na haar studie in Utrecht en een promotie aan de Universiteit Leiden werd ze vorig jaar benoemd tot adjunct-hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Van Tol focust zich met haar onderzoek op de rol van de hersenen en cognitie bij het ontwikkelen en aanhouden van ernstige psychische stoornissen, zoals depressie, angst en suïcidaal gedrag.

‘Ik voel me een ambassadeur van het Y-chromosoom’
LEES OOK

‘Ik voel me een ambassadeur van het Y-chromosoom’

Genetica-onderzoeker Sofie Claerhout onderzoekt hoe we het Y-chromosoom in forensisch onderzoek kunnen gebruiken om cold cases op te lossen.

Van Tol: ‘Op dit moment onderzoek ik therapieën die werken om depressies te voorkomen en wat er precies gebeurt, hoe het brein omgaat met informatie en hoe je beter de stress van alle dag kunt bijsturen en die een plek kunt geven.’

‘Ik ga er niet van uit dat een depressie primair een breinstoornis is. Toch speelt het brein er wel een rol bij. Het is namelijk het orgaan waarmee we onze aandacht richten en informatie filteren en duiden. Die functies wil ik begrijpen en ik wil vooral kijken hoe ons brein prioriteert en informatie verwerkt die emotioneel van betekenis is.’

‘Depressie is een stoornis die met veel dingen samenhangt. Er is een genetische component en traumatische of aanhoudende stress en nog veel meer. Ik probeer te begrijpen hoe het brein informatie verwerkt en of en hoe dat bijdraagt aan depressie. Ik ben dan vooral geïnteresseerd in hoe dat na bepaalde therapieën verandert en wat we daarvan kunnen leren. Welke veranderingen zijn belangrijk om niet weer depressief te worden of te blijven?’

Heerst er een taboe op uw onderzoek?

‘Voor sommige mensen wel. Een depressie is namelijk een persoonlijke en rijke ervaring. Er zijn mensen die zeggen dat het aan je brein ligt als je depressief bent, maar dat is te makkelijk. Overigens moet ik daar meteen aan toevoegen dat we met de metingen van het brein zoals we die nu doen niet goed kunnen voorspellen of iemand wel of niet depressief zal worden. Maar de metingen kunnen ons wel van alles vertellen over de processen die een rol spelen bij depressie.’

Waarom worden mensen depressief?

‘Wisten we dat maar.’

Doe eens een poging.

‘Het is complex omdat er heel veel factoren van invloed zijn. In het leven kan van alles gebeuren. Je hebt bijvoorbeeld een akelige jeugd gehad, onveilig met veel agressie. Vervolgens heb je een stressvol bestaan met je werk en dan gaat er ook nog iemand dood. Dan kan het zijn dat de bewapening die je normaal gesproken had om je overeind te houden, het even laten afweten. Ik kijk naar hoe therapieën mensen op lange termijn helpen en hoe ze die bewapening kunnen helpen te verstevigen.’

Een deel van uw onderzoek doet u met behulp van MRI-scans. Hoe gaat u precies te werk?

‘Met functionele MRI kijken we naar de doorbloeding van het brein en daaruit leiden we activiteit af. Als er meer bloed in een hersengebied wordt gebruikt, gaan we ervan uit dat het actiever is. We benaderen het brein steeds meer als een netwerk, hoe werken de delen samen en is die samenwerking anders bij mensen met een depressie en verandert die na therapie? Mensen liggen gemiddeld een minuut of tien in een scanner en terwijl hun gedachtes alle kanten op aan of ze een opdracht uitvoeren, bestuderen wij de configuraties.’

U kreeg onlangs een Vidi-beurs voor vervolgonderzoek. Waar gaat u die 800.000 euro aan besteden?

‘Samen met een promovendus en een postdoc ga ik onderzoek doen naar het fenomeen dat mensen na een depressie of een burn-out vaak niet meer helemaal de oude worden. Ze zijn moe, wat lusteloos en er hangt een mist rondom hun brein. Dit is slecht voor de levenskwaliteit en draagt bij tot een mogelijke terugval.

Ik wil kijken hoe we dat kunnen verbeteren. Ik wil uitzoeken hoe we de cognitieve controle kunnen optimaliseren, met een flexibel brein dat tussen taken kan wisselen. Dan kun je je aandacht vasthouden en dingen die je belangrijk vindt, beginnen én afmaken. Ik wil kijken wat de rol van persoonlijke beloning hierin is. Hier ga ik de komende vijf jaar aan werken en daar heb ik heel veel zin in.’

Marie-José van Tol, Beeld: Ronald Zijlstra.

De Jonge Akademie
Marie-José van Tol is voorzitter van De Jonge Akademie. Wie lid wil worden van dit platform van de Nederlandse Akademie van Wetenschappen mag hooguit tien jaar geleden gepromoveerd zijn.
Als voorzitter probeert Van Tol een evenwichtiger en gezonder academisch klimaat te scheppen in Nederland. Zo hoopt ze het aanzien van wetenschappers ook buiten de academische wereld verbeteren.
‘Wij vinden dat je de rechten – het voeren van de titel professor, het gebruik van de expertise en het dragen van een toga – moet losmaken van de hiërarchische positie in de academie. Dan kan ieders expertise goed worden ingezet. Nu mogen vaak alleen hoogleraren onderzoek beoordelen, maar universitair docenten en universitair hoofddocenten zijn hier in hun vakgebied ook bij uitstek toe in staat. Dat zijn ook wetenschappers met een behoorlijke staat van dienst.’