Hoe komen wetenschappers tot dat ene inzicht dat het verloop van hun carrière bepaalt? Daarover vertellen ze in de rubriek Eureka, elk weekend in het AD, verzorgd door de redactie van New Scientist. Deze keer: Paul van de Water (68) die vorige week aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde.

‘In 2003 bezocht ik Yad Vashem in Israël. Dit Holocaust-herinneringscentrum is in velerlei opzichten meer dan indrukwekkend. Ik was diep onder de indruk van het in een grot uitgehouwen Children’s Memorial, waar door middel van een paar lichtjes en spiegels een sterrenhemel is geconstrueerd die ruim 1,5 miljoen door de nazi’s vermoorde kinderen symboliseert. Als je daar bent dan hoor je de namen en andere persoonsgegevens van de slachtoffertjes. Dat was voor mij een even onthutsende als confronterende ervaring.

Buiten de grot sprak ik een man wiens complete familie was vermoord door de nazi’s. Hij kon niet anders dan de daders zien als door haat gedreven, krankzinnige, sadistische criminelen. Met dat beeld ben ik ook opgevoed.

De vreemde evolutie van plezier: van spelende gekko’s tot sparrende spinnen
LEES OOK
De vreemde evolutie van plezier: van spelende gekko’s tot sparrende spinnen

Mijn grootste moment van inzicht kreeg ik echter jaren later, gedurende mijn promotieonderzoek, toen ik mijzelf soms dagenlang opsloot in archieven om daar bronnenonderzoek te doen. Toen pas kwam ik erachter dat deze zogeheten mad nazi-theorie weliswaar geruststellend is, maar niet klopt. Uit de artikelen, boeken en stukken die ik heb gelezen, kwam een beeld naar voren dat de meeste daders niet krankzinnig of sadistisch waren.

De meeste van de gewelddadige collaborateurs die ik onderzocht waren gewone mannen die voor de oorlog onder de radar leefden, geen crimineel verleden hadden, en voor de bezetting niet kampten met mentale problemen. Ze functioneerden als doorsnee burgers waarvan toen niemand kon vermoeden dat ze tijdens de bezetting afschuwelijke misdrijven zouden plegen.

In mijn proefschrift behandel ik de vraag wat deze mannen tot hun daden heeft gedreven. Het is duidelijk dat vrijwel niemand zich liet leiden door ideologische drijfveren. De meesten hadden banale motieven als hebzucht, carrièredrang, opportunisme, machtswellust en avonturisme. Ze handelden op basis van gedachteloosheid en onverschilligheid.

In die zin illustreren ze Hannah Arendts concept van de banaliteit van het kwaad. Dat concept, en mijn bezoek aan Yad Vashem, zijn mijn Eureka-momenten die uiteindelijk hebben geleid tot een proefschrift over gewelddadige collaborateurs.’