Hoe komen wetenschappers tot dat ene inzicht dat het verloop van hun carrière bepaalt? Daarover vertellen ze in de rubriek Eureka, elk weekend in het AD, verzorgd door de redactie van New Scientist. Deze keer: Bastiaan Rutjens, universitair docent sociale psychologie bij de Universiteit van Amsterdam.

‘Mijn onderzoek focust zich op vertrouwen, het fenomeen dat je accepteert dat iets buiten jezelf in staat is om problemen op te lossen die je zelf niet zou kunnen oplossen. Je bent bereid om een afhankelijkheidsrelatie aan te gaan, en dus te accepteren dat een instantie of instituut het soms beter weet en voor jou beslissingen kan nemen.

Vertrouwen

In het verleden is er onderzoek gedaan naar vertrouwen in de wetenschap zelf, en daar zagen we een vorm van heterogeniteit. Hiermee bedoel ik dat het ook van het wetenschappelijk vakgebied afhangt of mensen meer of minder vertrouwen hebben in wetenschappers. Zo ontstond het idee om vertrouwen per vakgebied te onderzoeken. Dit leidde tot een groot moment van inzicht.

De grote geboortecrisis
LEES OOK

De grote geboortecrisis

Terwijl de wereld worstelt met de gevolgen van overbevolking, klinkt in de verte het hoorngeschal van het omgekeerde onheil.

Bastiaan Rutjens

We hebben voor dit onderzoek een bottom-up benadering gebruikt. Aan een eerste groep respondenten hebben we gevraagd wie voor hen nu typisch wetenschappers zijn. Zo kwamen we uit op 45 verschillende onderzoekers in verschillende vakgebieden. Deze 45 personen hebben we door een andere groep van 2780 participanten laten beoordelen op zaken als moraliteit, competentie, assertiviteit en warmte.

Heet hangijzer

Op een zeven-puntschaal blijkt dat politicologen (3,71) en economen (4,28) het minste vertrouwen genieten, terwijl neurologen en mariene biologen het hoogst scoorden. Natuurlijk was ik blij met dit resultaat, maar zeker niet verbaasd. Politicologen, maar ook bijvoorbeeld klimaatwetenschappers en virologen, doen immers onderzoek naar onderwerpen die hete hangijzers zijn in de actualiteit. Daardoor treden ze in zekere zin binnen in jouw persoonlijke levenssfeer. Hierbij hebben mensen sterkere gevoelens dan bijvoorbeeld bij kosmologisch onderzoek.

Deze resultaten zijn denk ik nuttig om te reflecteren op hoe we wetenschapscommunicatie bedrijven. Het gaat niet alleen om de waargenomen kennis van de persoon, maar ook over zijn of haar persoonlijke drijfveren en het morele aspect.’