In zijn “On the Origin of Species…”, van 1859 schrijft Darwin betreffende de evolutie van de mens, op twee na (blz. 488) de laatste bladzijde (490), alleen maar: “Light will be thrown on the origin of man and his history“. Darwin voelde zich natuurlijk wel verplicht na de ‘Origin’ om iets over de evolutie van de mens te zeggen. Sinds 1838 had hij daarvoor al aantekeningen verzameld en in 1871 komt hij dan ook met zijn boek “The Descent of Man and selection in relation to sex“. In zijn Inleiding schrijft Darwin: “Het enige doel van dit werk is om na te gaan: ten eerste of de mens, evenals elke andere diersoort, van deze of gene vroeger bestaand hebbende vorm afstamt; ten tweede, de wijze, waarop hij zich heeft ontwikkeld; ten derde de belangrijkheid van de verschillen tussen de zoogenaamde mensenrassen”. Bescheiden voegt hij toe: “Dit werk bevat bijna geen enkel origineel feit omtrent de mens; …… De conclusie dat de mens evenals andere soorten van een oude, lagere en uitgestorven vorm afstamt, is volstrekt niet nieuw”. Hij verwijst dan naar Lamarck, Wallace, Huxley, Lyell, Vogt en nog enige anderen. Wat Darwin vooral belangrijk vindt, is dat seksuele selectie een belangrijke rol speelde in de differentiatie van de verschillende rassen van de mens. Hieraan besteedt hij in het tweede gedeelte van zijn boek (Part II) zo’n 10 hoofdstukken.

Dat de mens van een vroegere, uitgestorven apensoort afstamt dat geloven we nu wel. Darwin besteedt daar in Part I acht hoofdstukken aan om het aannemelijk te maken. Hoofdstuk II van Part I, “On the manner of development of Man from lower form“, is echter interessant. Hierin zegt hij iets over de evolutie van de mens, namelijk: “The causes which have led to his [Man] becoming erect“. Volgens Darwin heeft het vrije gebruik van de armen en handen, gedeeltelijk de oorzaak en gedeeltelijk het resultaat van de rechtopgaande gang van de mens, indirect geleid tot andere veranderingen van structuren. Door het gebruik van werktuigen zouden de hoektanden verkleind zijn. Tegenwoordig neemt men toch wel aan dat het gebruik van werktuigen ontstond lang nadat de Australopithecinen rechtop liepen. Volgens Darwin, nam de hersencapaciteit toe naarmate er meer gebruik werd gemaakt van de mentale capaciteiten.

In Hoofdstuk 6 gaat Darwin in op de geboorteplaats en de ouderdom van de mens. Hij schrijft hierover: ” ………onze voorouders splitsten zich af van de Catarhine [apen van de Oude Wereld] stam. …….Daar ze tot deze groep behoorden, moeten ze in de oude wereld ontstaan zijn. …….Het is daarom waarschijnlijk dat Afrika vroeger bewoond was door uitgestorven apen, die nauw verwant waren aan de gorilla en de chimpansee; en aangezien deze twee soorten de nauwste verwanten zijn, is het iets waarschijnlijker dat onze voorouders in het Afrikaanse continent leefden dan ergens anders”. Hij vervolgt: “Het is zinloos over dit onderwerp te speculeren; want twee van de drie anthropomorfe apen, één de Dryopithecus van Lartet, bijna zo groot als een man, en nauw verwant aan Hylobates [de gibbon], leefde al in Europa gedurende het Mioceen.”. Verder stelt hij dat er tijd genoeg was voor migraties op grote schaal vanaf het Mioceen tot heden. Darwin vervolgt: “Wat de periode en plaats, wanneer en waar dat ook maar was, toen de mens zijn vacht verloor, woonde hij waarschijnlijk in een warm land; een omstandigheid gunstig voor dieet van fruit waarop, naar analogie, hij leefde. Wij weten volstrekt niet hoe lang het geleden is, dat de mens het eerst uit de stam van de Catarrhinen ontstond; maar het zou gebeurd kunnen zijn in een periode, zo lang geleden als het Eoceen, want de hogere apen hadden zich reeds in het Boven Mioceen van de lagere apen afgescheiden, zoals blijkt uit het bestaan van de Dryopithecinae”. Hoewel Darwin dat nergens stellig stelt, gaat hij er wel van uit dat de evolutie van de apen naar de mens in een rechte lijn verloopt.

‘Het maken van leven is niets mystieks’
LEES OOK

‘Het maken van leven is niets mystieks’

De Groningse hoogleraar Sijbren Otto probeert met zijn groep moleculen in een kolfje tot leven te wekken. En dat lukt vrij aardig.

Javamens

Hoeveel licht is er nu geworpen op de evolutie van de mens sinds “on the origin” van 1859.

In de tijd van Darwin waren nog geen fossielen die aantoonde dat ook de mens aan de evolutie deel genomen had. Hierover zegt Darwin dat niemand daar gewicht aan zal hechten….. daar de de ontdekking van de fossiele overblijfselen uiterst langzaam en toevallig heeft plaats gehad. Hij vervolgt: “ook moeten wij niet vergeten, dat streken, waar men de meeste kans heeft fossiele overgangsvormen tussen de mens en één of ander uitgestorven aapachtig schepsel te vinden, tot nog toe niet door geologen doorzocht zijn”. Darwin kende wel de Neanderthaler, maar noemt die slechts één keer in de “Descent of Man” in verband met de grote hersengrootte. Volgens Huxley in zijn “Man’s Place in Nature” van 1863 behoorde de Neanderthaler tot de recente mens. Dat kon toen ook nog heel goed, daar men in die tijd een aardig hiërarchisch systeem had met onderin de wilde en bovenin de geciviliseerde volkeren, die ook opgrond van hersengrootte onderscheiden konden worden. De eerste harde bewijzen dat ook de mens aan de evolutie deelnam, kwam van Eugène Dubois. Deze vond op Java bij Trinil in de oevers van de Solo rivier een schedel kapje, met een hersengrootte tussen dat van de apen en de mens in, een kies dat aapachtig was en een dijbeen, waaraan je kon zien dat het individu waaraan het toebehoorde rechtop had gelopen. Hij voegde de fossielen samen tot één individu en had zo een overgangsvorm, zijn Pithecanthropus [Aapmens] erectus (de latere Homo erectus), die rechtop liep en een kleine herseninhoud had.

Aanvankelijk dacht men dan ook dat de evolutie in Azië had plaatsgevonden. Naarmate er meer fossielen gevonden werden, die aapachtiger waren, werd de aandacht naar Afrika verlegd.
Tegenwoordig neemt men wel aan dat de evolutie van de mens in Afrika heeft plaatsgevonden. Daar vind je vanaf zo’n 7 miljoen jaar geleden de overblijfselen van verschillende rechtoplopende apen, die onder verschillende namen bekend zijn. Echter men moet zich wel realiseren dat de evolutie van de mens daar boven de grond komt, waar het meeste geld wordt ingepompt. Het Indiase Subcontinent is nauwelijks onderzocht en biedt toch goede kansen. Nu met de vondst van Homo floresiensis van het eiland Flores, Indonesië, die men australopithecine kenmerken toeschrijft, is de belangstelling voor het oosten weer gewekt. Echter Homo floresiensis is niets anders dan een eilandvorm die uit Homo erectus ontstaan is, op dezelfde manier als dwergolifanten en dwergnijlpaarden op de eilanden van de Middellandse Zee zijn ontstaan uit grote continentale voorouders.

Aanvankelijk had men de mooie rechte lijn, waarin de rechtoplopende aap Australopithecus opgevolgd werd door de handige mens Homo habilus, deze door de rechtopgaande mens Homo erectus, waaruit de Neanderthaler kwam en tenslotte de recente mens Homo sapiens. Vanaf de vondst van de Neanderthal schedel in 1856 is er een discussie of de Neanderthaler nu een subsoort van de moderne mens is (Homo sapiens neanderthalensis), of een aparte soort (Homo neanderthalensis).

Doordat het aantal fossielen in de loop van de tijd toenam, werd de mooie rechte afstammingslijn verstoord. Elk fossiel staat wel ter discussie, laat staan hoe de afstamming verlopen is. Men ziet de evolutie van de mens nu meer als bosjes die elkaar opvolgen.

Over het algemeen wordt de evolutie van de mens als iets unieks gezien en als zodanig behandeld. Echter als je de evolutie van de mens biologisch benaderd en bekijkt tegen de achtergrond van de evolutie van fauna’s en fauna elementen, dan vinden voor de mens natuurlijk dezelfde processen plaats.

Zo’n vier of meer miljoen jaar geleden vindt er afkoeling plaats, waardoor de tropische regenwouden verdwijnen en er open bossen ontstaan (bossavannen).

Het is duidelijk dat op een vlakte meer gelopen moeten worden. Paarden en andere grote zoogdieren (herbivoren) vermijden de noodzaak voor mogelijk grote spierspanningen door hun poten meer gestrekt te houden dan kleine dieren. Door het strekken van de poten wordt de nodige spierkracht verminderd. Kleine dieren rennen met gebogen poten en grotere houden hun poten gestrekt; het verschil is een kwestie van lichaamsgrootte. Uit de biomechanica blijkt dat hardlopen van grotere dieren naar verhouding economischer is dan kleinere. Het voordeel van kleinere dieren die met gebogen poten lopen is dat ze onmiddellijk hard kunnen rennen.

Bij de overgang van bos naar vlakte zal er dus een selectie plaats vinden op het voortbewegingsapparaat, o.a. sneller lopen, maar zodanig dat het niet te veel energie gaat kosten, dwz, een selectie op het gestrekt houden van de poten en grotere dieren.

Krachtkosten

Wie precies de voorouder van de mens is, is nog onbekend. Ja, een aap, maar dat wist Darwin ook al.
Bij overgang van bos naar vlakte zal er ook bij de mens een selectie zijn op het vootbewegings mechanisme. Het rechtoplopen met gestrekte benen heeft een belangrijk gevolg: dankzij die wijze van voortbeweging kunnen we ons gewicht dragen zonder dat we daarvoor veel kracht in onze beenspieren hoeven te hebben, waardoor de post ‘krachtkosten’ van de totale energie behoefte gereduceerd wordt. De biomechanica leert dat rechtoplopen uit energetisch oogpunt bijzonder economisch is, economischer dan de manier van voortbewegen van de mensapen.
Daar het accent bij de voortbeweging bij mensapen op de achterpoten ligt, de voorpoten dienen alleen voor ondersteuning, zal er een selectie zijn op de achterpoten om zo economisch voortbewegen. Waarschijnlijk ontwikkelt zich uit een knokkel lopende mensaap, een rechtopgaande mens. Het gevolg is een selectie naar rechtoplopen op de achterpoten en grootte van het dier. De Australopithecinea en Homo habilis/rudolfensis lopen op twee benen, maar ze hebben nog aapachtige kenmerken. Zo hebben ze lange armen en de grote teen maakt een hoek met de as van de voet; de voet is nog allround. Ook hier vinden we bij de overgang van bos naar een open terrein een vergroting van de hersenen. Tevens een verandering van het kauwapparaat; de grote hoektanden verdwijnen. Nieuwe niches konden bezet worden en een radiatie trad op in the Australopithecinae. De Australopithecinae zijn ongeveer tussen de 1,00 m en 1,50 m.

Eén van de australopithecinen ontwikkelde zich tot Homo erectus. In de volgende Homo erectus-fase zien we een toename van de lengte (1,80 m) en een innovatie van het voorbewegingsmechanisme; deze wordt exact gelijk aan die van de moderne mens; ze hebben een zogenaamde ‘striding gait’. Ook hier worden weer vele soorten onderscheiden, om er een paar te noemen, Homo erectus, Homo ergaster, Homo antecessor, Homo heidelbergensis. Ook deze soorten staan ter discussie. Ze kunnen nieuwe niches innemen en ook bij Homo erectus zien we een adaptieve radiatie. Een mooi voorbeeld van een aan koude omstandig heden aangepaste late Homo erectus is de Neanderthaler. De hersenen van de soorten van de Homo erectus-fase zijn nog relatief klein. Een vergroting van de hersenen zien we bij de laatste fase, Homo sapiens sapiens, optreden.

Uit één van die Homo erectus-soorten ontwikkelt zich Homo sapiens. Eén van de kenmerken waarin de moderne mens (Homo sapiens sapiens) zich onderscheidt van zijn voorgangers is waarschijnlijk de hand. Er zijn twee soorten grepen: de krachtgreep, die je gebruikt om een blikje te verfrommelen en de fijnegreep, die gebruikt wordt om garen door het oog van de naald te krijgen. Alleen de moderne mens heeft waarschijnlijk de fijnegreep. We zien pas fijne werktuigen ontstaan bij de moderne mens. Alle andere werktuigen van zijn voorgangers kunnen met de krachtgreep gemaakt worden. Door de fijne greep zullen zich waarschijnlijk ook de hersenen zich verder ontwikkeld hebben, gezien het grote aandeel van zowel het motorische als het sensibele gedeelte van de hersenschors dat door de hand wordt ingenomen. De duim wordt een precisie instrument. Met dit precisie instrument kan Homo sapiens allerlei werktuigen maken en veroverd de hele wereld en wordt in de woorden van Darwin (1871): “the most dominant animal in the world“. Ook zien we bij Homo sapiens sapiens weer een adaptieve radiatie, aanpassingen aan zijn omgeving; de wat kort en stevig gebouwde eskimo en de lange watusi.

Darwin schrijft in het laatste Hoofdstuk 21 van zijn “The Descent of Man“: “Vele van de gezichtspunten die hier te berde zijn gebracht zijn zeer speculatief, en sommige zullen zonder twijfel fout blijken te zijn.”. Deze zinsnede is na bijna 200 jaar nog zeer actueel en kan zo toegepast worden op de hedendaagse zienswijze betreffende “de afstamming van de mens”.

John de Vos