Wetenschappers vergeleken mensen met hersenletsel bij wie de levensondersteunende behandeling is voortgezet, met mensen bij wie die werd beëindigd. Ze berekenden dat ongeveer 40 procent van de laatste groep mogelijk enig herstel zou hebben geboekt als hun behandeling niet was gestopt.

Een aanzienlijk deel van de mensen met een traumatisch hersenletsel bij wie de life support werd stopgezet, zou het overleefd kunnen hebben en op zijn minst gedeeltelijk hersteld kunnen zijn. Dat blijkt uit een onderzoek dat is gepubliceerd in het vakblad Journal of Neurotrauma.

Traumatisch hersenletsel kan ontstaan door een krachtige klap tegen het hoofd of een voorwerp dat de hersenen binnendringt, zoals een kogel. Familie van hersenletselpatiënten wordt vaak gevraagd om binnen enkele dagen na het ongeluk al te beslissen of de levensverlengende behandeling moet worden beëindigd. Dat is een lastig besluit. Sommige patiënten herstellen van het letsel en kunnen maanden later op zijn minst gedeeltelijk onafhankelijk leven. Maar het is ook mogelijk dat een patiënt er nooit meer bovenop krabbelt. Het is moeilijk om in individuele gevallen de afloop te voorspellen.

Serveer vleesvervangers niet af omdat ze ‘ultrabewerkt’ zijn
LEES OOK

Serveer vleesvervangers niet af omdat ze ‘ultrabewerkt’ zijn

Zorgen over in fabrieken gemaakt voedsel, en over vleesvervangers in het bijzonder, zijn misplaatst, zegt bioloog Jenny Chapman.

Traumatisch hersenletsel

Om meer te weten te komen over de herstelkansen, verzamelden neuroloog Yelena Bodien van het Massachusetts General Hospital en haar collega’s 7,5 jaar lang gegevens over mensen die na een traumatisch hersenletsel op Intensive Care-afdelingen in de VS belandden en daar een levensreddende behandeling kregen. Bij 80 van deze mensen werd de behandeling stopgezet. Hun resultaten werden vergeleken met die van patiënten bij wie die de behandeling werd voortgezet. Sommigen daarvan kregen een zekere mate van onafhankelijkheid terug.

De onderzoekers ontdekten factoren die verband hielden met het stoppen van de levensondersteuning, zoals de leeftijd en het geslacht van de patiënt. Op basis hiervan gebruikten ze een algoritme om de herstelkans van deze mensen te berekenen als hun behandeling was voortgezet.

Onzekerheid

De resultaten suggereren dat 42 procent van de mensen bij wie beademing is stopgezet had kunnen overleven en binnen zes tot twaalf maanden na het letsel in ieder geval gedeeltelijk onafhankelijk had kunnen functioneren. ’De prognose na traumatisch hersenletsel is erg onzeker, en het is erg belangrijk om deze onzekerheid aan families uit te leggen,’ zegt Bodien. ’Onze resultaten suggereren dat een voorzichtigere benadering gerechtvaardigd is bij het vaststellen van de prognose, en dat zorgvuldige afwegingen nodig zijn bij het nemen van zo’n onomkeerbare beslissing als het intrekken van levensverlengende behandeling.’

Een gebrek aan informatie over de langetermijngevolgen van traumatisch hersenletsel is een van de redenen waarom het stellen van een prognose moeilijk is, zegt ze. Dit kan ertoe leiden dat clinici aannemen dat een slechte uitkomst waarschijnlijk is, en daarom aanraden om de behandeling te stoppen.

Zwart-wit-vragen

Psychologisch onderzoeker Damian Cruse van de Universiteit van Birmingham in het Verenigd Koninkrijk zegt dat de resultaten met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. ’Beslissingen om levensbeëindiging in te trekken hebben veel facetten, en hangen niet noodzakelijkerwijs af van zwart-wit-vragen zoals ‘zal de patiënt in deze vegetatieve toestand blijven of niet?’ Ze gaan meer over de vraag of het niveau van herstel iets is waar de patiënt blij mee zou zijn geweest’, zegt hij.

’Dat gezegd hebbende, is het duidelijk uit deze en andere gegevens dat onze voorspellingen over het mogelijk herstel niet zo goed zijn als we zouden willen, vooral omdat deze voorspellingen de moeilijke keuzes van families weer beïnvloeden’, aldus Cruse.

De onderzoekers willen nu graag de herstelpercentages vergelijken bij patiënten in landen buiten de VS, zegt Bodien. ’We voeren ook studies uit om te begrijpen welke statistische methoden voor het berekenen van de uitkomsten het nauwkeurigst zijn.’