De levensverwachting van bijen in Amerikaanse laboratoria is met de helft gekrompen ten opzichte van de jaren zeventig. Mogelijk ligt een genetische oorzaak ten grondslag aan de toenemende sterfte van kolonies.

Honingbijen die in Amerikaanse laboratoria worden gehouden, leven maar half zo lang als in de jaren zeventig. De levensverwachting voor een werkbij die in een laboratorium leeft, was vijftig jaar geleden 34,3 dagen. Volgens bioloog Anthony Nearman en entomoloog Dennis vanEngelsdorp van de Universiteit van Maryland is dat nu nog maar 17,7 dagen. Dat suggereert dat niet alleen omgevingsfactoren zoals pesticiden en voedsel bijdragen aan het verlies van bijenkolonies, maar ook genetische factoren.

Aanvankelijk draaide hun experiment om het voeden van laboratoriumbijen (Apis mellifera) met puur water, naast hun normale rantsoen van gesuikerd water. Maar toen de onderzoekers de literatuur in doken, zag Nearman een dalende lijn in de levensverwachting van bijen, die begon in de zeventiger jaren. Die daling kwam overeen met de overleving van hun eigen bijen. De dalende lijn suggereert dat de oplossing voor de lage levensverwachting van bijen, die ook bij natuurlijke leefomstandigheden een probleem is, bij de dieren zelf gezocht kan worden.

‘Er is heel lang verkeerd naar een alzheimermedicijn gezocht’
LEES OOK
‘Er is heel lang verkeerd naar een alzheimermedicijn gezocht’

Selectie

‘Het grootste deel van honingbijen wordt door mensen gehouden. Imkers fokken alleen door met bijen met gunstige eigenschappen, zoals resistentie tegen ziekten’, zegt Nearman. ‘In dit geval kan die selectie op resistentie de drijfveer zijn geweest achter selectie voor een lagere levensverwachting van individuele bijen. Bijen die korter leven, verspreiden minder vaak ziekten. De kolonies waartoe ze behoren, zien er dan gezonder uit.’

De bevindingen van Nearman en vanEngelsdorp betekenen misschien dat het mogelijk is langer levende honingbijen te fokken, als de genetische factoren verantwoordelijk voor hogere leeftijden geïdentificeerd kunnen worden.

Honingbijen in laboratoria worden verzameld als poppen, maximaal 24 uur nadat ze uit hun honingraten zijn gekropen. Daardoor is besmetting met ziekteverwekkers als verklarende factor onwaarschijnlijk, maar niet uitgesloten. Nearman zegt dat de bijen in hun experiment geen tekenen van ziekte vertoonden.

Bijenverdwijnziekte

Wetenschappers houden al sinds 2006 de overleving van bijenkolonies bij, nadat de zogeheten ‘bijenverdwijnziekte’ grote sterftes onder bijen veroorzaakte. Twee jaar later zwakte de ziekte af, maar de sterfte bleef hoger dan wat voor imkers rendabel is. Bovendien bleef de oorzaak een raadsel.

Het werk van Nearman en vanEngelsdorp laat zien dat een levensverwachting die tot de helft krimpt resulteert in een jaarlijkse koloniesterfte van 33 procent. Dat komt overeen met sterftecijfers die imkers zelf rapporteren: 30 tot 40 procent. Toekomstig onderzoek concentreert zich op de wereldwijde overleving van bijen, om zo de effecten van genetische factoren en de omgeving in kaart te brengen.

‘Dit onderzoek laat zien hoe belangrijk de overleving van individuele werkbijen is voor de gezondheid van een hele kolonie’, zegt entomoloog Gene Robinson van de Universiteit van Illinois te Urbana-Champaign. ‘Het werpt helaas geen licht op de oorzaak van de dalende levensverwachting, maar het geeft wel een kader waarbinnen we kunnen kijken naar de invloed van omgevingsfactoren op de genetica van bijen, zoals parasieten en pesticiden.’