Utrechtse geografen hebben een nieuwe techniek ontwikkeld om klimaatveranderingen van de afgelopen negenduizend jaar in kaart te brengen. Met slibmonsters uit bergmeertjes in Groenland bepalen zij kleine temperatuurschommelingen, in stapjes van een eeuw.

De bergmeertjes in Groenland zijn het grootste deel van het jaar met ijs bedekt. In deze tijd is er weinig biologische activiteit. Slechts in een korte periode in de zomer groeien de waterplanten en algen. Hoe warmer het in een jaar is, des te meer biologisch restmateriaal op de bodem van het meer belandt. Door nu de sliblagen in de meertjes te bestuderen, kunnen temperatuurschommelingen tot op een eeuw nauwkeurig in kaart worden gebracht. De geografen bepaalden met de C-14 methode de ouderdom van de monsters. De combinatie van temperatuur en ouderdom verraadt veel over het klimaat in de afgelopen negenduizend jaar.

Klimaatschommelingen

De techniek die de onderzoekers gebruiken is erg eenvoudig. Vanaf een bootje steken zij een boorkern van een meter lang en vijf centimeter dik uit het bodemslib. De buis met slib wordt afgesloten, bevroren en in plakjes van twee tot drie millimeter gesneden. Hierdoor is het mogelijk om temperatuurschommelingen van een of twee graden te bepalen. Dit is een groot voordeel ten opzichte van traditionele techniek, waarbij het slib gedroogd wordt. Dit geeft monsters van een centimeter dik, waarmee kleine temperatuurschommelingen niet te achterhalen zijn.

‘Het maken van leven is niets mystieks’
LEES OOK

‘Het maken van leven is niets mystieks’

De Groningse hoogleraar Sijbren Otto probeert met zijn groep moleculen in een kolfje tot leven te wekken. En dat lukt vrij aardig.

De slibboringen geven inzicht in klimaatschommelingen in de afgelopen negenduizend jaar. De conclusies van de onderzoekers komen overeen met de resultaten van de grote ijsboringen uit het begin van de jaren negentig. Deze twee boringen, een van de Amerikanen en een van de Europeanen, zijn op de ijskappen van Groenland gedaan. De ijskappen groeien in laagjes; deze zijn in de boorkernen goed te onderscheiden. Het aantal zware zuurstof-isotopen is een maat voor de temperatuur. Deze methode is nauwkeuriger dan de slibmethode van de Utrechtse geografen, maar wel ongeveer duizend keer duurder. Een ander verschil is het gebied waarin de metingen gedaan kunnen worden. De ijsboringen gaan tot een diepte van drie kilometer. Er zijn slecht een klein aantal plaatsen waar dit kan. Slibbemonstering is op veel grotere schaal toepasbaar; er zijn veel meertjes in Groenland die zich voor dit onderzoek lenen.