Tandbederf kwam ook al voor bij jagers-verzamelaars die ver voor het ontstaan van landbouw leefden. Dat blijkt uit onderzoek van antropologe Isabelle de Groote, verbonden aan het Natuurhistorisch Museum in Londen, en haar collega’s.

Ernstig tandbederf bij een jongvolwassen jager-verzamelaar uit Taforalt. Bron: Isabelle De Groote
Ernstig tandbederf bij een jongvolwassen jager-verzamelaar.
Bron: Isabelle De Groote

Wetenschappers gingen er lange tijd van uit dat tandbederf zo’n tienduizend jaar geleden pas een alledaagse aandoening werd toen we begonnen met de landbouw. Gemodificeerde zetmeel-houdende gewassen, voornamelijk wanneer ze verwerkt zijn in papjes en broden, zijn veel plakkeriger en bevatten meer suikers dan wilde vruchten en granen. Dat maakt het ideale voedselbronnen voor het veroorzaken van cariës. Nu blijkt dat de jagers-verzamelaars, lang voor de landbouwproductie, eveneens vaak natuurlijk voorkomende noten en zaden verwerkten tot papjes en broden. Het gevolg zijn rotte tanden.

Om tot deze conclusie te komen analyseerden De Groote en haar team de resten van 52 volwassenen die zo’n 15.000 tot 13.700 jaar geleden leefden. De overblijfselen zijn afkomstig uit een grot in Taforalt, Marokko. De onderzoekers vonden bewijs van bederf in meer dan de helft van de overgebleven tanden. Dat is vergelijkbaar met het voorkomen van tandbederf in de huidige moderne samenleving, iets wat je niet zou verwachten gezien de hoge concentraties geraffineerde suiker die tegenwoordig in ons voedsel zitten. Bij slechts drie skeletten zijn geen tekenen van cariës gevonden.

Wetenschapsjournalisten zijn niet simpelweg een bron van ruis
LEES OOK
Wetenschapsjournalisten zijn niet simpelweg een bron van ruis

Bewijs

‘Het is de eerste keer dan we zo’n slechte mondhygiëne zien bij de pre-agrarische bevolking’, zegt De Groote in een persverklaring. Tandbederf is bij slechts een handvol andere verzamelaar-populaties aangetroffen, maar nog nooit was het bewijs in zulke groten getale aanwezig. De tot nog toe oudst bekende bevolkingsgroep waarvan veelvuldig bewijs is dat men gaatjes had, zijn eerste agrariërs die gedomesticeerde tarwe en gerst aten. ‘De jagers-verzamelaars leefden echter te vroeg om gebruik te maken van gemodificeerde gewassen, dus moet iets anders de gaatjes hebben veroorzaakt’, zegt De Groote.

De grot bevat aanwijzingen die mogelijk het slechte gebit van de jagers-verzamelaars verklaren. Zo zijn er overblijfselen gevonden van pijnboompitten en zoete eikels en resten van maalstenen. De agrariërs waren blijkbaar niet de eersten die noten en zaden verwerken tot broden en papjes. De resultaten van het onderzoek zijn deze week gepubliceerd in het vakblad PNAS.