Dinosauriërs waren al voordat ze als vogels het luchtruim kozen, uitgerust met een vogelbrein. Dat concluderen paleontologen in een studie die deze week in Nature verscheen.

De CT-scans van een Zanabazar junior, een gevederde dino (boven), en een moderne specht (onder). De gekleurde hersengebieden zijn de hersenstam (geel), de kleine hersenen of cerebellum (blauw), achterhoofdskwabben (rood), grote hersenen of cerebrum (groen) en de reukkolf (oranje). Bron: AMNH/A. Balanoff
De CT-scans van een Zanabazar junior, een gevederde dino (boven), en een moderne specht (onder). De gekleurde hersengebieden zijn de hersenstam (geel), de kleine hersenen of cerebellum (blauw), achterhoofdskwabben (rood), grote hersenen of cerebrum (groen) en de reukkolf (oranje).
Bron: AMNH/A. Balanoff

Het vogelbrein is dus ouder dan de vogel zelf, zo melden de onderzoekers in een persverklaring. Al voordat de dinosauriërs zich fysiek tot vogels ontwikkelden, hadden ze een brein dat wist hoe ze moesten gaan vliegen.

Om tot die conclusie te komen, bekeek het onderzoeksteam de schedels van meer dan 24 dieren met CT-scanners. Ze bestudeerden zowel  moderne vogels, de ‘vroegste’ dinovogel Archaeopteryx, en niet vliegende dinosauriërs zoals de Tyrannosaurus rex.

Op zoek naar de hoplossing
LEES OOK
Op zoek naar de hoplossing

Met de scans maakte ze driedimensionale reconstructies van de breinen. Ze bepaalden vervolgens de groottes van verschillende breingebieden, waaronder de reukkolf (die betrokken is bij de perceptie van geuren), de grote en kleine hersenen (cerebrum en cerebellum) en de achterhoofdskwabben die zijn betrokken bij zicht.

Neurologisch vliegklaar

Typerend voor een vogelbrein is zijn grootte. Om te kunnen vliegen, heeft een dier een relatief groot brein nodig, om de visie en coördinatie tijdens de vlucht te ondersteunen. Vooral het voorste deel van het vogelbrein lijkt ‘opgeblazen’.

Dat zowel moderne vogels als de Archaeopteryx waren uitgerust met zo’n groot brein, was voorheen bekend. Maar nu concludeerden de onderzoekers dat ook de schedels van enkele niet-vliegende dino’s met een groot vogelbrein waren gevuld. Sommigen breinen van de landdino’s waren zelfs relatief groter dan die van de Archaeopteryx.

Motoriek

Dat wijst erop dat deze dieren al de breincapaciteit hadden om te vliegen. Het neurologische netwerk lag klaar – alleen de vorm van het dier was nog niet ver genoeg ontwikkeld om het luchtruim te kiezen.

De Archaeopteryx was wel de enige onderzochte soort die een ‘wulst’ in zijn brein had: een neurologische structuur die de motoriek van een vogelachtige verzorgd. Of deze structuur pas ontwikkelde toen de dino’s het luchtruim kozen, is vooralsnog onbekend.