Kinderloosheid lijkt – vooral bij mannen – gedeeltelijk samen te hangen met beschadigde genen. Het gaat hierbij niet alleen om beschadigingen die leiden tot onvruchtbaarheid, maar ook om genen die invloed hebben op gedragskenmerken. Die zouden de kans op een relatie die leidt tot kinderen verkleinen, stellen onderzoekers.

Volgens Europese en Britse onderzoekers is de rol van deze genetische beschadigingen op kinderloosheid erg klein – minder dan 1 procent. Andere effecten, zoals de omgeving waarin je bent opgegroeid of je persoonlijke voorkeur, wegen veel zwaarder bij de kans om kinderloos te zijn. Maar als je naar de gehele bevolking kijkt, kan dit effect een interessante invloed hebben op het verdwijnen van beschadigde genen.

Natuurlijke selectie van genen

Mensen verschillen genetisch gezien van elkaar doordat er spontaan veranderingen, of mutaties, kunnen ontstaan in de genen. Hierdoor kunnen kinderen mutaties hebben die niet terug te vinden zijn bij de biologische ouders. In sommige gevallen kunnen die veranderingen het genoom dusdanig beschadigen dat bepaalde genen niet meer functioneren.

Het 'vijftigplusbuikje’ komt niet door een tragere stofwisseling
LEES OOK
Het 'vijftigplusbuikje’ komt niet door een tragere stofwisseling

Zulke beschadigde genen lijken door natuurlijke selectie te verdwijnen: ze worden niet doorgegeven aan de volgende generatie. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn. Zo kunnen ernstige beschadigingen er in het ergste geval voor zorgen dat iemand niet lang genoeg leeft om kinderen te krijgen. Ook kan het leiden tot onvruchtbaarheid, of de kans verlagen dat iemand een partner vindt.

Vruchtbaarheid en gedragskenmerken

De groep Europese en Britse onderzoekers gingen op zoek naar de oorzaak voor het verdwijnen van dergelijke ernstig beschadigde genen. Ze keken naar schadelijke mutaties in drieduizend genen bij ongeveer 340.000 mensen van Europese afkomst, die niet aan elkaar verwant zijn. Hiervoor gebruikten ze de UK Biobank – een database met genetische informatie van 500.000 vrijwilligers. Ze focusten op mensen tussen de 39 en 73 jaar oud. Dit om zeker te zijn dat hun proefpersonen qua leeftijd de kans gehad zouden hebben (gehad) om zich voort te planten.

Ongeveer een derde van de beschadigde genen bleken samen te hangen met een aandoening waardoor het individu onvruchtbaar is, of niet lang genoeg leeft om kinderen te krijgen. Er bleef dus tweederde van de genen over, waar een andere verklaring voor gezocht moest worden.

De analyse van de onderzoekers suggereert dat met name mannen met beschadigingen in deze genen meer kans hebben om cognitieve en gedragskenmerken te vertonen die hun succes bij het vinden van een partner verkleinen. Hieronder vielen bijvoorbeeld lagere scores op cognitieve tests of een verhoogd risico op een psychische stoornis. Dit wijst erop dat partnerkeuze op basis van iemands gedragskenmerken een belangrijke rol kan spelen in het verdwijnen van bepaalde beschadigde genen in de bevolking.

Seksuele selectie

Deze conclusie kan nog niet meteen in de biologieboeken worden opgenomen. In een bijbehorend artikel schrijft statistisch geneticus Loic Yengo van de Australische universiteit van Queensland dat een groter onderzoek nodig is. Onderzoekers moet naar meer genen kijken om een beter beeld te krijgen van de evolutionaire geschiedenis van beschadigde genen. Nu is het namelijk mogelijk dat een deel van de drieduizend bekeken genen recent gemuteerd zijn, en dus simpelweg minder tijd hebben gehad om doorgegeven te kunnen worden.

Yengo merkt ook op dat de conclusies van het onderzoek aansluiten bij Charles Darwins theorie over seksuele selectie. Deze theorie, waarover in de wetenschap nog veel discussie is, stelt dat natuurlijke selectie gedeeltelijk gedreven wordt door de voorkeur voor een partner met bepaalde eigenschappen.

De onderzoekers benadrukken dat ze niet ‘het gen voor kinderloosheid’ hebben gevonden. Ze hebben enkel aangetoond dat mensen – met name mannen – met mutaties in specifieke genen iets meer kans hebben om kinderloos te zijn.

Verder erkennen ze dat hun bevindingen uitsluitend gebaseerd zijn op onderzoek naar mensen van Europese afkomst. Er is vergelijkbaar onderzoek nodig met een groter deel van de wereldbevolking om bredere conclusies te kunnen trekken.