Hoe komen wetenschappers tot dat ene inzicht dat het verloop van hun carrière bepaalt? Daarover vertellen ze in de rubriek Eureka, elk weekend in het AD, verzorgd door de redactie van New Scientist. Deze keer: Maarten van Aalst, hoofddirecteur van het KNMI en hoogleraar klimaat en rampen aan de Universiteit Twente. 

‘Ik ben geïnteresseerd in bijna alles wat zich om me heen afspeelt, en het weer is voortdurend in onze nabijheid. Tijdens mijn studie natuur- en sterrenkunde ontstond ook mijn fascinatie voor het raakvlak tussen kennis en maatschappij. Dus niet alleen snappen hoe het zit, maar die kennis ook inzetten voor een betere wereld. Dat was al zo als student, en zeker nu ook als hoofddirecteur van het KNMI.

Maarten van Aalst. Beeld: Frans Nikkels

Ik denk dat iedereen in Nederland het KNMI kent van de weersverwachting voor de komende dagen. Maar we doen ook onderzoek naar de klimaatverwachting voor de langere termijn. 

Onderwijs besteedt te weinig aandacht aan proza en poëzie
LEES OOK

Onderwijs besteedt te weinig aandacht aan proza en poëzie

De slinkende aandacht in het onderwijs voor creatief schrijven heeft de lees- en schrijfvaardigheid van leerlingen geen goed gedaan.

Deze twee fenomenen schuiven steeds meer in elkaar. Vroeger dachten we over klimaatverandering vooral in termen van scenario’s voor de verre toekomst, maar anno 2023 leven we al in een veranderd klimaat, met veranderde risico’s door extreem weer.

Mijn grootste moment van inzicht beleefde ik in 2002, toen ik voor de Wereldbank Kiribati, een eilandrepubliek in de Stille Oceaan bezocht.

De Wereldbank investeert wereldwijd tientallen miljarden per jaar om armoede te bestrijden. Ze vroegen zich af wat klimaatverandering voor gevolgen kon hebben voor die investeringen. Natuurlijk was er al zorg over de uitstoot van broeikasgassen, maar de aandacht ging toen nog vooral uit naar mogelijke gevolgen op de langere termijn, niet de risico’s op dat moment.

Al tijdens het landen, toen ik van bovenaf de kustlijn bekeek, zag ik de kwetsbaarheid van de eilandengroep. Op het eiland zelf zag ik ook dat de bedreiging niet alleen kwam van het langzaam stijgende zeeniveau, maar dat er ook periodes waren van waterschaarste, mede door langere droogtes en een groeiende bevolking.

Daar op Kiribati stond ik oog in oog met de risico’s van het veranderende klimaat. Ik kende de zorgen over de koraaleilanden natuurlijk uit de wetenschap, maar dat was vooral als abstracte kennis over langzame trends. Hier zag ik de realiteit met eigen ogen. Niks abstracts, maar hier en nu, heel sterk verweven met de grilligheid van het weer en de kwetsbaarheid van de samenleving. 

Een directe fysieke bedreiging, want dat is het als je niet meer zeker weet of je morgen nog wel water hebt.’