Hoe komen wetenschappers tot dat ene inzicht dat het verloop van hun carrière bepaalt? Daarover vertellen ze in de rubriek Eureka, elk weekend in het AD, verzorgd door de redactie van New Scientist. Deze keer: Marion Koopmans, viroloog bij het Erasmus UMC en lid van het Outbreak Management Team.

‘In onze wereld waren meer dan 30 triljoen virussen rond, die allemaal tegelijkertijd in staat zijn om alles over te nemen. Dat weet nu iedereen wel. Een virus kun je zien als een belangrijke schakel in de gezondheid van een ecosysteem. Daarom ben ik er zo gefascineerd door.

Eind jaren tachtig was ik aan het promoveren. Ik was geïnteresseerd in het torovirus, een virus dat we toen alleen met elektronenmicroscopie hadden gezien. Het virus was net ontdekt. We vroegen ons af wat het was en wat het zou kunnen doen.

'Xenotransplantaties gaan voor een revolutie in de geneeskunde zorgen'
LEES OOK
'Xenotransplantaties gaan voor een revolutie in de geneeskunde zorgen'

Om dit uit te vinden kocht ik tien kalveren die ik in een hok stopte achter het universiteitsgebouw van de faculteit diergeneeskunde. Een jaar lang bekeek ik ze elke dag voor een health check, onderzocht ik twee keer per week hun poep en keek ik wekelijks hun bloed na. Een jaar later heb ik alle verzamelde monsters getest met virusdetectiemethoden en antistofdetectiemethoden.

Dit deden we met een combinatie van centrifugeerstappen, waarbij de virussen geconcentreerd werden uit mest, en een laboratoriumtest die ELISA heet. Dat zijn platen waar je verdunningen van je testmateriaal, in dit geval mest, in kan doen. Vervolgens voeg je antistoffen toe waar een enzym aan gekoppeld zit. Als er in je testmateriaal een virus zit, dan binden de antistoffen met het enzym. En als je daar dan weer een bepaald stofje bij gooit, wordt de vloeistof geel.

Toen ik een doorschijnend gele vloeistof zag, was dat een magisch moment. Ik heb al het materiaal vervolgens in een run achter elkaar getest. Toen zag ik in een oogopslag de hele infectiegeschiedenis voor me op tafel. Ik zag met eigen ogen hoe gezonde dieren besmet werden, en dat dit uiteindelijk  diarree veroorzaakte.

Het is nu meer dan dertig jaar terug, maar het is nog steeds het soort studie waar ik echt van hou: fundamentele viruskennis gebruiken om testen te ontwikkelen om een klinisch vraagstuk te beantwoorden.’