Hoe komen wetenschappers tot dat ene inzicht dat het verloop van hun carrière bepaalt? Daarover vertellen ze in de rubriek Eureka, elk weekend in het AD, verzorgd door de redactie van New Scientist. Deze week: Wieger Wamelink, ecoloog en exobioloog bij de Wageningen University.

‘In tegenstelling tot verschillende van mijn vriendjes, wilde ik als kind geen brandweerman maar astronoom worden. In de bibliotheek heb ik destijds werkelijk elk kinderboek over sterrenkunde verslonden, maar tegelijkertijd vond ik de natuur ook steeds interessanter worden. Als ecoloog combineer ik nu beide fascinaties. Een van mijn onderzoeken richt zich op de vraag of er planten kunnen groeien op de maan en op Mars. De reden waarom ik dit onderzoek, is simpel: mochten we Mars ooit willen koloniseren dan moeten we er ook eten.

Mijn grootste inzicht is eigenlijk ontstaan door boosheid. Bij de Wageningen University wordt er af en toe budget beschikbaar gesteld voor ‘innovatieve projecten’. Ik diende elk jaar wat in, maar steeds tevergeefs. Na weer een afwijzing kwam ik thuis en onder de douche dacht ik: ‘wacht maar, nu kom ik met iets dat voorbij inventief is.’

Het raadsel van de­ verdwenen antimaterie
LEES OOK
Het raadsel van de­ verdwenen antimaterie
Wieger Wamelink
Wieger Wamelink. Beeld: Bas Uterwijk.

In mijn aanvraag vroeg ik me af of het mogelijk is om Nederlandse planten op Marsgrond te laten groeien. Ik richtte me op het soort bodem, de voedingsstoffen, de straling en het weer. Het voorstel werd goedgekeurd en met het geld heb ik onder meer, via de NASA, Mars- en maangrond gekocht. Daarop heb ik tomaten gekweekt. Wat bleek? Het is goed mogelijk hierop groenten te telen, ook bijvoorbeeld boontjes en aardappels. De groenten moeten wel binnen worden geteeld, buiten is het te koud, er is nagenoeg geen lucht en er is gevaarlijke straling.

Uit mijn onderzoek werd duidelijk dat de tomaten even voedzaam zijn, en dat tomaten van Mars zoet zijn, terwijl de maantomaten iets pittigs hebben. Als we naar Mars gaan, dan kunnen we er eten. Zelf zou ik trouwens nooit gaan. Meer dan een half jaar reizen in een kleine afgesloten ruimte lijkt me oersaai.’