Uit computermodellen van Filipijnse onderzoekers blijkt dat de hoeveelheid van het hormoon oestrogeen in hormonale anticonceptie tot wel 95 procent omlaag kan zonder effectiviteit te verliezen. Dit zou de negatieve bijwerkingen die sommige gebruikers ervaren flink kunnen verminderen.

Onderzoekers van onder andere de Universiteit van de Filipijnen Diliman hebben in een onderzoek met computermodellen vastgesteld dat de hoeveelheid hormonen in hormonale anticonceptiemiddelen flink omlaag kan zonder dat de anticonceptieve werking verloren gaat. Dat is mogelijk door maar op één moment tijdens de menstruatiecyclus oestrogeen toe te dienen, in combinatie met een lage en wisselende dosis van het hormoon progesteron.

Voor anticonceptie met enkel het hormoon oestrogeen geldt een mogelijke afname van de dosis van 92 procent, voor anticonceptie met enkel progesteron een van 43 procent. In anticonceptie met zowel oestrogeen en progesteron, wat gangbaar is, is de afname nog groter: 95 procent voor oestrogeen en 74 procent voor progesteron. De onderzoekers publiceerden hun resultaten in PLOS Computational Biology.

‘Fossiele samenwerking is nodig voor een snelle energietransitie’
LEES OOK

‘Fossiele samenwerking is nodig voor een snelle energietransitie’

Universiteiten moeten hun samenwerking met de fossiele industrie niet stopzetten, vindt scheikundige Marc Koper. Dat vertraagt de energietransitie.

Optimale dosering van hormonen

Deze afname van hormonen komt niet zomaar uit de lucht vallen. De onderzoekers bepaalden namelijk dat het mogelijk is om op maar één moment tijdens de cyclus van 28 dagen, op de twaalfde dag, oestrogeen toe te dienen, gecombineerd met een lage en wisselende dosis progesteron. Dat terwijl de meest gangbare hormonale anticonceptiemiddelen, zoals de anticonceptiepil en de hormoonspiraal, continu dezelfde hoeveelheid hormonen afgeven. Door het toepassen van deze optimale doseringsstrategie is het dus mogelijk de hoeveelheid hormonen die de gebruikers binnenkrijgen fors terug te schroeven.

Dit vonden ze door voor het eerst met wiskundige modellen de menstruatiecyclus nauwkeurig in kaart te brengen. In dit model gebruikten ze gegevens over de hormoonspiegels van 23 vrouwen tussen de 20 en 34 jaar met een normale cyclus van 28 dagen. Hierop pasten ze vervolgens wiskundige formules toe die exact de laagste dosis hormonen konden bepalen waarmee de eisprong nog steeds voorkomen kon worden. Het voorkomen van de eisprong is bij veel anticonceptiemiddelen de reden dat gebruikers nagenoeg niet vruchtbaar zijn. Ook konden ze met het model bepalen wat de optimale timing is voor het toedienen van hormonen.

Minder bijwerkingen

Sommige gebruikers van hormonale anticonceptiemiddelen ervaren nadelige bijwerkingen ervan. Dit varieert van stemmingswisselingen tot lichamelijke klachten als hoofdpijn, misselijkheid en, in extreme gevallen, trombose.

Een belangrijk voordeel van het verlagen van de dosis hormonen in anticonceptiemiddelen is dat deze bijwerkingen zullen afnemen, aldus arts endocrinologische gynaecologie Monique Brood-van Zanten, verbonden aan het Amsterdam UMC en het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis.

Volgens Brood-van Zanten is het daarom een belangrijk onderzoek en een goede eerste stap. Maar omdat de uitkomsten nu alleen nog maar op modellen gebaseerd zijn, zullen vervolgonderzoeken moeten uitwijzen of een dusdanig grote afname van hormonen in anticonceptie echt realistisch is. ‘Het belangrijkste is natuurlijk dat de anticonceptiemiddelen betrouwbaar blijven.’

De onderzoekers hebben bijvoorbeeld met het model puur en alleen gekeken naar wat de minimale hoeveelheid hormonen is waarbij de eisprong nog steeds uitblijft. ‘Maar het zou zomaar kunnen dat in de praktijk deze hoeveelheid hormonen ervoor zorgt dat de gebruiker elke dag last heeft van bloedingen’, zegt Brood-van Zanten.

Bovendien gebruikten de onderzoekers gegevens van vrouwen met menstruatiecycli van 28 dagen, maar niet iedereen heeft zo’n cyclus. Zo zijn er nog meer factoren die niet meegenomen zijn in de modellen. ‘Daarom is de volgende stap om in klinische onderzoeken met menstruerende mensen te bepalen of wat ze theoretisch bedacht hebben ook echt in de praktijk zo is’, aldus Brood-van Zanten.