Archeoloog Marit van Cant bekeek middeleeuwse tot vroegmoderne skeletpopulaties afkomstig uit zes Vlaamse plaatsen. Zij ontdekte dat wonen in een waterrijke omgeving een risicofactor was voor het ontwikkelen van infectieziektes.

Hoe onderzoek je populaties van skeletten?

‘Ik heb de skeletten onderzocht uiterlijke kenmerken: lichaamslengte, geslacht en leeftijd van overlijden. Ook keek ik naar kenmerken van ziekte. Zo wijzen kleine gaatjes in de oogkassen op bloedarmoede, en dat kan gelinkt worden aan malaria. Ook hadden sommige populaties glazuurhypoplasie: kleine horizontale lijnen in het tandglazuur. Dat wijst op een voedseltekort of infectieziekte tijdens de kindertijd.

De skeletten kwamen vooral van kerkhoven rondom kerken. Het waren bijna allemaal mensen uit de werkende klasse, maar telkens uit een andere leefomgeving: de kust, aan de rivier en op het platteland.’

‘Obesitasmedicatie is geen quick fix’
LEES OOK
‘Obesitasmedicatie is geen quick fix’

Wat hebt u gevonden?

‘Ik heb ontdekt dat er meer infectieziekten waren bij bevolkingsgroepen die aan het water woonden. Zo hadden skeletten van de laatmiddeleeuwse kustbewoners uit Slijpe, zowel jong en oud, vooral die kleine gaatjes in de oogkassen. Malaria was toentertijd een veelvoorkomende ziekte in deze contreien en was gelinkt aan brak water.’

En andere populaties hadden juist vaak infecties aan de luchtwegen.

‘Klopt, bijvoorbeeld bij skeletten uit het kleinstedelijke Deinze, waar de rivier de Leie doorheen stroomt. Die populatie werkte vooral in de textielsector; ze hielden zich bezig met leerlooien of het verven van textiel. Ze werkten in slecht geventileerde ruimtes en hadden daardoor meer kans op longaandoeningen. Daarnaast werd het roten van vlas vroeger in de Leie gedaan. Dat gaf het vlas een goede kwaliteit, maar vervuilde het water zo erg dat het grote sterfte bij vissen en vee veroorzaakte. De rivier werd ook gebruikt voor het brouwen van bier. Eigenlijk was het drinken van bier soms gezonder dan het drinken van het water.’

Skeletpopulaties uit het kleinstedelijke Deinze vertoonden tekenen van longaandoeningen. Beeld: Marit van Cant/Vrije Universiteit Brussel.

Hoe zagen de skeletten in plattelandsdorpjes eruit?

‘Bij de landelijke bewoners waren er geen kenmerken van voedseltekorten op de tanden terug te vinden. Ook vond ik geen kenmerken van chronische infecties op het botmateriaal. Je kon wel zien dat ze hard hebben gewerkt. Ik heb per skelet twintig spieraanhechtingen onderzocht, en daar zie je vooral bij de jongere leeftijdsgroepen een soort verdikking zitten. Dat geeft aan dat ze al sinds de kindertijd aan het werk waren.’

‘Hier niet meer. Eind negentiende eeuw is er bijvoorbeeld een verbod op het roten van vlas gekomen en dat is goed nageleefd. Maar zeker in armere gebieden zal dit nog wel voorkomen. Zo is malaria in Afrika nog steeds een veelvoorkomende ziekte.’

Marit van Cant promoveerde op dit onderzoek aan de Vrije Universiteit Brussel en de Britse Universiteit van Sheffield.

Wat valt er nog meer af te leiden uit skeletpopulaties?

‘In samenwerking met de universiteiten van Stanford en Arizona heb ik in een vervolgproject de wisselwerking tussen dieet en ziekte onderzocht. Door de pandemie heb ik slechts een deel kunnen uitvoeren. Zo heb ik uit de skeletten van Deinze samples genomen van het bot waar mogelijk aanwijzingen van tuberculose zaten, bijvoorbeeld in de ruggenwervel of op de ribben. Zo hebben we bij vier individuen het DNA van de tuberculosebacterie kunnen isoleren en kunnen vaststellen dat deze mensen toen echt deze ziekte hadden.’