Taaladept en woordenboekmaker Ton den Boon bepaalt als hoofdredacteur welke woorden hun weg vinden naar de Dikke Van Dale, een verantwoordelijkheid die hij niet licht opneemt. ‘Noem mij de boekhouder van de Nederlandse taal.’

Ton den Boon, op dijk02_preview
Van Dale-hoofdredacteur Ton den Boon: ‘ ‘Over vijftien jaar nemen we misschien termen over uit het Chinees.’

Lexicograaf Ton den Boon neemt dagelijks zo veel mogelijk woorden tot zich. Uit Trouw en De Groene Amsterdammer, maar ook uit het lokale sufferdje, shockblogs als GeenStijl en uit zijn lievelingswoordenboek, The Oxford English Dictionary. In de auto luistert hij ‘praatradio’, van NPO 1 tot jongerenzender FunX. Valt hem iets op aan het gebezigd taalgebruik, dan spreekt hij een memo in op zijn telefoon. ‘Gisteren bijvoorbeeld, zei een verslaggever dat de situatie in Griekenland aan het ‘ontwrichten’ is. ‘Hé!’, denk ik dan, ”Ontwrichten’ is toch een overgankelijk werkwoord?!’ Het heeft in principe een lijdend voorwerp bij zich. ‘De schuldencrisis ontwricht de Griekse maatschappij’, zou je verwachten.’ Zijn voicememo’s loopt hij later nog eens na. Neemt het onovergankelijk gebruik van ‘ontwrichten’ toe? Is hij veranderend taalgebruik op het spoor? Of was het slechts een foutje?

40.000 mensuren

Den Boon is poortwachter van de Nederlandse taal. Als hoofdredacteur waakt hij over de Dikke Van Dale, een verantwoordelijkheid die hij deelt met zijn Vlaamse evenknie Ruud Hendrickx. Op 6 oktober verschijnt de nieuwe editie. De vijftiende in 151 jaar verschijnt tien jaar na de vorige editie. Een reguliere update dus. ‘De wereld verandert en de taal verandert daarbij mee. Dat moet je eens in de zoveel tijd vastleggen om de taal begrijpelijk te houden.’ Maar hoe doe je zoiets? Hoe bepaal je welke woorden een plek verdienen in het boek en hoe ontwaar je hun betekenis?

Doorbehandelen: ja of nee? Wat er beter kan in gesprekken tussen artsen en naasten van patiënten
LEES OOK

Doorbehandelen: ja of nee? Wat er beter kan in gesprekken tussen artsen en naasten van patiënten

Op de intensive cares van ziekenhuizen wordt elke dag besloten over doorgaan of stoppen met behandelen, over leven en dood. Aranka Akkermans onderzoch ...

Als Den Boon opsomt wat ze de afgelopen negen jaar gedaan hebben bij het reviseren van de Dikke Van Dale – nieuwe woorden opsporen, afwegen of ze opgenomen moeten worden, ontrafelen hoe woorden van betekenis veranderen en dan ook nog een paar duizend in onbruik geraakte woorden schrappen – rijst het vermoeden dat op de burelen een leger taalkenners zich dagelijks buigt over de 240 000 trefwoorden en eindeloos vergadert over de bijbehorende lemma’s. In realiteit gaat het anders, Den Boon belichaamt de Van Dale, met zijn collega Hendrickx. ‘We hebben verder een eindredacteur en soms huren we redacteuren in voor specifieke klussen. Die nemen dan bijvoorbeeld alle sporttermen onder de loep.’ Alles bij elkaar schat Den Boon dat er zo’n 40.000 redactionele mensuren in de nieuwe editie zijn gaan zitten.

Taalgemeenschap

Maar het boek dat geldt als autoriteit op het gebied van de Nederlandse taal en als scheidsrechter dienst doet bij menig potje Scrabble, is dus ‘slechts’ de geestesvrucht van een zeer selecte groep taalkenners. Den Boon beaamt dat er een flinke verantwoordelijkheid op zijn schouders rust. Doorgaans controleert alleen de eindredacteur de door hem omschreven woorden. Waar in vervlogen tijden redacteuren nog wel eens hun eigen mening in het woordenboek vervlochten – zo werd popmuziek in de jaren zeventig gedefinieerd als ‘muziek voor onrijpe geesten’ – doet Den Boon zijn best louter weer te geven welke betekenis de taalgemeenschap een woord toebedeelt. ‘Dat maak je op uit de context waarin het woord gebruikt wordt. Daar moet je gevoel voor hebben. Soms is het niet eenvoudig en spit je een uur in quotes en krantenteksten voor twee regels definitie.’ De lezers fungeren als jury en houden de redactie scherp. ‘Die schromen niet om boze brieven te schrijven als ze een fout menen te ontwaren. En zo hoort het ook, de Van Dale is voor en door de taalgemeenschap.’

Bij het verschijnen van een nieuwe editie gaat de meeste aandacht uit naar de nieuwe woorden die daarin zijn opgenomen. Logisch, vindt Den Boon, ze zeggen iets over maatschappelijke veranderingen. Zo nam onder invloed van de IPCC rapporten het aantal samenstelling met ‘klimaat-‘ toe van een stuk of twintig in 2005 naar ruim honderd in 2015, met nieuwkomers als klimaatzondaar en klimaatvluchteling. Ook de crisis liet zijn sporen na. ‘Termen die eerst alleen economen kenden zijn gemeengoed geworden. In 2005 wist niemand wat een systeemcrisis, bail-out of onderwaterhypotheek was. Tegenwoordig staat bijna ieder huis onder water.’

Aan al die veranderingen wil Den Boon als hoofdredacteur geen waardeoordeel hangen. ‘Het gaat mij niet om goed of slecht. Noem mij de boekhouder van de Nederlandse taal. Ik registreer de veranderingen, zodat mensen nu en in de toekomst Nederlandse teksten kunnen begrijpen.’ De hoofdredacteur spreekt vloeiend en rap, maar drukt zich secuur uit. Alsof hij alle woorden uit zijn boek paraat heeft, weet hij voor ieder begrip een adequate term te kiezen. ‘Letterlijk spraakmakend’, noemt hij bijvoorbeeld de burgerjournalisten die via blogs nieuwe woorden introduceren en zo hun stempel drukken op het taalgebruik. Een enkele keer ontglipt hem toch iets dat hij niet wilde zeggen. ‘Nederland is een open samenleving,’ stelt hij bijvoorbeeld, wanneer hij verklaart waarom er veel leenwoorden in de Nederlandse taal te vinden zijn. ‘Nou nee,’ verbetert hij meteen, ‘Dat is een politiek statement. Nederlands is een open taal, dat moet ik zeggen.’ We hebben altijd woorden overgenomen, bedoelt hij, vooral van de dominante spelers op het wereldtoneel. Twintig eeuwen geleden was dat het Latijn. Later het Frans, het Duits en nu het Engels. ‘Over vijftien jaar nemen we misschien termen over uit het Chinees.’

Hoewel de nieuwe woorden de meeste stof doen opwaaien, is het opsporen en incorporeren ervan vanuit woordenboekmakersperspectief relatief eenvoudig. Het voorwerk geschiedt grotendeels automatisch. Van Dale krijgt de teksten van dagbladen en tijdschriften aangeleverd. Die teksten zetten ze af tegen trefwoorden die al in het woordenboek staan. Woorden die niet matchen zijn veelal namen of typefoutjes. Maar komt een niet-matchend woord frequent voor, in meerdere media en gedurende langere tijd, dan wordt het interessant. Aan Den Boon en zijn collega’s de opdracht de automatisch gegenereerde lijst van kanshebbers kritisch tegen het licht te houden en te bepalen welke kandidaten een plekje in de Dikke Van Dale verdienen.

Courant Nederlands

De 25e editie van New Scientist met daarin de profielen van alle kandidaten ligt vanaf 20 augustus in de winkel.
Dit interview maakt deel uit van het dossier Van Dale in New Scientist #25, vanaf 20 augustus in de winkel en in onze webshop.

Bij die afweging streeft Den Boon ernaar ‘courant Nederlands’ weer te geven, woorden die geregeld voorkomen in gesproken en geschreven taal. De meeste nieuwe woorden moeten bijvoorbeeld gedurende drie jaar bewijzen de tand des tijds te doorstaan. Maar dat criterium gaat niet op voor woorden die van overheidswege worden doorgevoerd, zoals participatiesamenleving of koningsdag. ‘Die woorden zijn onmiddellijk relevant en nemen we meteen op in de digitale versie van de Van Dale.’ Sinds 2010 is het woordenboek online te raadplegen en voert de redactie wijzigingen daar halfjaarlijks door.

Waar institutionele woorden in no time hun weg naar de Van Dale vinden, valt informele straattaal bijna per definitie buiten de boot. ‘Die is zo veranderlijk, nieuwe vondsten blijven bijna nooit lang genoeg in gebruik. Behalve woorden die ook elders in de maatschappij aanslaan, flex, lauw, hip, wreed, bijvoorbeeld, en het ‘watskeburt’ van De Jeugd van Tegenwoordig. Als ik interessante termen oppik in rap, leg ik die aan mijn kinderen voor. Wij wonen niet in de grote stad, dus als zij het woord kennen is het redelijk courant. Vervolgens kijk ik het na op chatrooms of andere fora.’

Naast de digitale zoektocht blijft er dus ruimte voor mensenwerk. Ook voor de informanten van weleer, een klein groepje taalliefhebbers die bijvoorbeeld huis-aan-huisbladen en reclamefolders spellen op zoek naar interessante woorden. Maar ook medici, rechtswetenschappers en onderwijsspecialisten die Van Dale inlichten over hun vakgebied. ‘Dat bestaat nog steeds, de liefhebbers die taal voor een breder publiek willen ontsluiten en eens in de zoveel tijd een envelop met knipsels en woordsuggesties opsturen.’

Liken, appen, trending

De nieuwe woorden springen in het oog, maar het meeste handwerk gaat zitten in het destilleren van nieuwe betekenis van bestaande woorden. De voortschrijdende digitalisering en de vlucht die sociale media hebben genomen zorgen niet alleen voor nieuwkomers als liken, appen en trending, maar ook voor herdefiniëring van bestaande woorden. ‘Vroeger deelde men snoep, nu status-updates. En iemand volgen doe je ook niet meer alleen over straat.’ Het traceren van die veranderingen vergt creativiteit. ‘Als je ziet dat digitalisering verandering teweegbrengt, moet je alle woorden die daarmee samenhangen nalopen. Zo kom je ook op nieuwe collocaties, woorden die vaak samen gaan. Denk bijvoorbeeld aan ‘account activeren’. Die combinatie bestond niet toen account nog louter ‘zakelijke relatie’ betekende.’

Hoewel Den Boon zegt niet te oordelen over de veranderingen, glimmen zijn ogen wanneer hij ze bespreekt. De mensen die in boze brieven reppen van taalverloedering als ze ageren tegen verengelsing van het Nederlands noemt hij ‘conserverend, misschien wel conservatief.’ Enigszins beschroomd geeft hij toe dat de veranderingen hem juist het meest boeien. ‘En’, voegt hij daar met enthousiasme aan toe, ‘Verandering is een goed teken, het is een indicatie dat een taal wordt gebruikt, dat ie springlevend is.’

Altijd op de hoogte blijven van het laatste wetenschapsnieuws? Meld je nu aan voor de New Scientist nieuwsbrief. 

Lees ook: