Het groeien van ribben uit nekwervels bij wolharige mammoeten geeft aan dat de dieren mogelijk last hadden van inteelt en ongunstige leefcondities.

wolharige mammoetwervel
Een fossiele nekwervel van een mammoet. De pijl geeft de plaats aan waar een nekrib groeide.
Bron: Creative commons

Fossiele nekwervels van wolharige mammoeten bevatten vaak een ‘nekrib’. In hedendaagse diersoorten zijn deze overtollige ribben geassocieerd met inteelt en zwangerschapscomplicaties. Dat melden Nederlandse paleontologen deze week in het vakblad PeerJ.

Tijd 'vertraagt' bij het zien van iets gedenkwaardigs
LEES OOK

Tijd 'vertraagt' bij het zien van iets gedenkwaardigs

Tijdens het kijken naar een opvallende afbeelding lijkt de tijd langzamer te gaan, ontdekten Amerikaanse hersenwetenschappers.

De meeste zoogdieren hebben standaard zeven nekwervels. Zeekoeien en luiaards waarbij het aantal nekwervels kan variëren, zijn hierop een uitzondering. Maar, uitzondering of niet, geen enkele nekwervel heeft normaal gesproken ribben. Het groeien van ‘nekribben’ is dus iets ongewoons. Recent gevonden nekwervels van mammoeten bevatten echter toch ribvormige uitstulpsels. Onderzoekers vonden de wervels op de bodem van de Noordzee. Waar nu de Noorzee is, was destijds waarschijnlijk het laatste leefgebied van mammoeten. De combinatie van de vindplaats van de wervels en de vondst van nekribben was voor wetenschappers een reden voor onderzoek.

Onderzoekers van Naturalis in Leiden en het natuurhistorisch museum Rotterdam bekeken nekwervels van wolharige mammoeten en vergeleken die met wervels van Afrikaanse en Aziatische olifanten. Die twee soorten zijn het nauwst verwant met de uitgestorven wolharige mammoet. De onderzoekers bestudeerden alle beschikbare nekwervels op de aanwezigheid van ribgroei.

Uit het onderzoek blijkt dat het groeien van nekribben tien keer vaker voorkomt bij wolharige mammoeten dan bij moderne olifanten. Drie van de negen onderzochte mammoetwervels vertoonden ribgroei (33,3%). Bij Afrikaanse en Aziatische olifanten vertoonde maar één van de 28 bestudeerde wervels een nekrib (3,6%).

De nekribben zijn op zichzelf ongevaarlijk. Ze ontstaan als gevolg van problemen tijdens de embryonale ontwikkeling. Die problemen kunnen van genetische aard zijn, maar kunnen ook ontstaan uit door omgevingsfactoren zoals de uitbraak van een ziekte of een zware winter. Bij de mens sterft 90% van de individuen met een nekrib voordat ze vruchtbaar worden. Nekribben zijn vaak gevonden bij geïsoleerde groepen mensen en bij kinderen met leukemie, hersentumoren en bij overleden embryo’s en pasgeborenen.

In het voorkomen van nekribben bij wolharige mammoeten uit de Noordzee tellen waarschijnlijk twee factoren mee. Ten eerste kan het komen doordat er veel inteelt voorkwam in de populatie. Eerder onderzoek heeft uitgewezen dat de genetische diversiteit bij mammoeten in Siberië zeer laag was, wat wijst op inteelt. Ten tweede kan het komen door de leefomstandigheden van de dieren. Zwaar weer, in combinatie met ziekte en stress kan leiden tot problemen in de embryonale ontwikkeling. De onderzoekers concluderen dat deze factoren meegeholpen hebben aan de ondergang van mammoeten.

Verder lezen: