Als we er niet in slagen om de opwarming van de aarde rond 2030 onder de anderhalve graad te houden, heeft dat catastrofale gevolgen. Maar hoe en wanneer weten we of we daarin geslaagd zijn? Klimaatwetenschappers vrezen dat we pas rond 2040 weten of we de limiet hebben overschreden, omdat klimaatgetallen over een langere periode moeten worden bepaald.

Toen vorige week de VN-Klimaatconferentie COP28 van start ging, zei conferentievoorzitter Sultan Ahmad al-Jaber dat zijn enige doel was om de klimaatdoelstelling van 1,5 graden binnen handbereik te houden. Maar realistisch gezien lijkt het onvermijdelijk dat de gemiddelde temperatuur rond 2030 zal uitkomen op meer dan 1,5 graden boven het pre-industriële niveau.

Wetenschappelijk levert dit een breinbreker op. Volgens de definitie die de meeste klimaatwetenschappers gebruiken, zouden we pas rond 2040 weten of we in 2030 de limiet hebben gebroken. Dat komt omdat we over een langere periode moeten terugkijken om een gemiddeld opwarmingscijfer te krijgen.

Lachgasgehalte atmosfeer groeit alarmerend snel
LEES OOK

Lachgasgehalte atmosfeer groeit alarmerend snel

De uitstoot van het krachtige broeikasgas N2O blijft toenemen, met name door de landbouw.

Dat betekent dat we veel tijd kunnen verliezen aan discussies over de vraag of we de limiet al gepasseerd zijn, in plaats van over de vraag hoe we de wereld weer kunnen afkoelen, zegt klimaatwetenschapper Richard Betts van het nationale weerkundige instituut van het Verenigd Koninkrijk. Daarom heeft hij met zijn collega’s nu een oplossing voorgesteld. ‘Je hebt een definitie nodig die vooraf is afgesproken, zodat we, als we de grens bereiken, kunnen zeggen: oké, duidelijk, laten we dit gewoon aanpakken’, zegt hij.

Definitiekwestie

De afspraak om de opwarming van de aarde onder de 1,5 graden te houden is gemaakt in 2015, tijdens het akkoord van Parijs. Landen beloofden toen om de stijging van de temperatuur ruim onder de 2 graden te houden en te proberen om die tot 1,5 graden te beperken.

In het akkoord van Parijs staat echter niet precies wat een limiet van 1,5 graden in de praktijk betekent. Het werd aan klimaatwetenschappers overgelaten om met een definitie te komen.

Dit vraagstuk begint met de waarde waarmee we de temperatuurstijging vergelijken. Wat was de pre-industriële temperatuur? Onderzoekers hebben gekozen voor de gemiddelde temperatuur tussen 1850 en 1900. Voor die tijd was er wel al sprake van enige door de mens veroorzaakte opwarming, maar er werden wereldwijd niet genoeg temperatuurmetingen gedaan om zeker te weten hoeveel.

Een ander probleem is dat verschillende organisaties de gemiddelde wereldwijde temperatuur op verschillende manieren berekenen. Het verschil zit hem vooral in hoe de organisaties omgaan met hiaten in de meetgegevens, bijvoorbeeld op plekken zoals de polen. Gelukkig levert dit geen onoverkomelijk probleem op: de verschillen zijn klein en we kunnen ervoor corrigeren door verschillende metingen te combineren.

Tien jaar achterhaald

Uit de metingen volgt dat er al dagen en zelfs maanden zijn geweest waarin de gemiddelde wereldwijde temperatuur meer dan 1,5 graden boven die van 1850 tot 1900 lag. Misschien zal 2023 zelfs het eerste jaar zijn met een gemiddelde stijging van 1,5 graad, maar het spant erom, zegt Betts. Het zou ook volgend jaar kunnen gebeuren.

Toch zou dat nog niet betekenen dat we de grens van 1,5 graden hebben overschreden. ‘Klimaat’ wordt over het algemeen gedefinieerd als het gemiddelde weer over een periode van twintig jaar. Daarom zijn de meeste klimaatwetenschappers het erover eens dat de limiet pas gebroken is als het twintigjarig gemiddelde boven de 1,5 graad uitkomt.

‘De datum waarop we de grens overschrijden, is halverwege die twintig jaar. Als je nu een twintigjarig gemiddelde probeert te berekenen, kun je alleen naar de laatste twintig jaar kijken’, zegt Betts. ‘Dus het moment waarop je meet dat de grens doorbroken is, is sowieso tien jaar achterhaald.’

Voortschrijdend gemiddelde

Een mogelijk alternatief is om het voortschrijdend gemiddelde te gebruiken. Maar ook daar zijn problemen mee. Stel dat we na een zeer warme periode weer wat koelere jaren krijgen, dan komen we in een situatie terecht waarin ‘we eigenlijk niet de 1,5 graden hebben overschreden zoals we dachten’, zegt Betts.

Kortom, om te voorkomen dat we pas te laat doorhebben dat we de limiet hebben overschreden, hebben we een manier nodig om in de toekomst te kijken. Dat kan met behulp van klimaatprojecties, besefte Betts.

Projecties en metingen

Zijn voorstel is om het twintigjarig gemiddelde tien jaar vooruit te berekenen. Dat is mogelijk door de wereldwijde temperatuurmetingen van de afgelopen tien jaar te combineren met wat klimaatmodellen voorspellen voor de komende tien jaar.

Omdat de voorspellingen van klimaatmodellen tot nu toe goed kloppen met de gemeten temperatuur, mogen we aannemen dat deze aanpak inderdaad hetzelfde getal oplevert voor het twintigjarig gemiddelde als het getal dat tien jaar later berekend kan worden op basis van werkelijke metingen.

Als je deze methode gebruikt, blijkt dat de wereld begin 2023 al 1,26 graden warmer is geworden.

Geen tijd te verliezen

‘Het belangrijkste aan deze benadering is dat hij volledig klopt met bestaande definities’, zegt Betts. Hij hoopt dat zijn voorstel op veel bijval kan rekenen. Hij roept de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering (het IPCC) op om een rapport over specifiek dit onderwerp op te stellen.

Als we de anderhalvegraadgrens passeren, moeten we aan de bak om aanpassingen te doen, de toekomstige opwarming te beperken, en de temperatuur terug te dringen, zegt Betts. ‘Je wilt geen tijd verspillen met discussies over de vraag of we nu wel of niet de anderhalve graad hebben bereikt.’