Het gebruik van kunstmatig vet uit het lab leidt tot minder landgebruik, watergebruik en uitstoot van broeikasgassen vergeleken met de productie van vetten door het telen van gewassen of het houden van dieren.

Aardwetenschappers ontdekten dat vetten maken in het lab, zonder dat daar een boerderij aan te pas komt, duurzamer is dan reguliere landbouw of veeteelt. Bij het maken van zulk ‘boerderijvrij’ eten komen er minder broeikasgassen vrij en is er minder land en water nodig. Het onderzoek waar dit uit blijkt, verscheen recent in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Sustainability.

De onderzoekers van de Universiteit van Californië in de Verenigde Staten vergeleken de duurzaamheid van verschillende natuurlijke en chemische manieren om vetten te verkrijgen. Ze keken specifiek naar het maken van vetten in plaats van andere voedselcomponenten, omdat vetten, in tegenstelling tot koolhydraten en eiwitten, redelijk eenvoudig te maken zijn.

‘Fossiele samenwerking is nodig voor een snelle energietransitie’
LEES OOK

‘Fossiele samenwerking is nodig voor een snelle energietransitie’

Universiteiten moeten hun samenwerking met de fossiele industrie niet stopzetten, vindt scheikundige Marc Koper. Dat vertraagt de energietransitie.

Daarnaast verdwijnt er nu veel tropisch regenwoud om plaats te maken voor palmbomen voor palmolie. Synthetische vetten kunnen een duurzamer alternatief zijn voor palmolie in bijvoorbeeld koekjes, crackers en chips.

Vetten maken

Om synthetische vetten te maken, heb je een bron nodig waar koolstof in zit. Het hoofdbestanddeel van vetten is namelijk koolstof. Voorbeelden van mogelijke koolstofbronnen zijn fossiele brandstoffen, biomassa en zelfs CO2 uit de lucht.

Fossiele brandstoffen, zoals aardgas, lijken chemisch gezien al aardig op vetten. Daarom kost het niet veel energie om ze om te zetten in de gewenste voedingsvetten. Bovendien is er voor vetten op basis van fossiele brandstoffen minder water en land nodig dan voor vetten van bijvoorbeeld palmbomen.

Er kleven echter ook nadelen aan het gebruik van fossiele brandstoffen. Als wij vetten opeten en verbranden in ons lichaam, ademen we de koolstof uit als CO2. Plantaardig of dierlijk vet bevat koolstof die planten uit de lucht hebben opgenomen. Wij brengen deze CO2 weer terug in de lucht. Bij fossiele brandstoffen is het anders. De CO2 die we uitademen na het eten van fossiele-brandstofvet zou niet in de lucht zijn gekomen als we de fossiele brandstoffen in de grond hadden laten zitten. Dit leidt dus tot extra CO2 in de lucht. Daarnaast is de voorraad fossiele brandstoffen niet oneindig.

Andere koolstofbronnen

Een duurzamere optie is om vetten te maken van het gas uit biomassa. De koolstof die we uitademen als we biomassavet hebben gegeten, zat al in de lucht voordat de plant het opnam. Als we vervolgens weer nieuwe planten laten groeien die de CO2 opnemen, kan de CO2 eindeloos in deze cyclus blijven.

Hierbij is het wel van belang waar de biomassa vandaan komt, zegt biochemicus Leonard Bosgraaf van Hanzehogeschool Groningen, die niet betrokken was bij het onderzoek. ‘Als de biomassa van tropisch regenwoud komt, schieten we er nog niks mee op. Lokaal groenafval is daarentegen een prima optie, al is het wel beperkt hoeveel vet je daarvan kunt maken.’

Vet uit de lucht

Een derde optie is om vetten te maken van CO2 uit de lucht. Lastig hierbij is dat CO2 het ‘energieputje’ is van koolstof. Om daar vetten van te maken, die juist energierijk zijn, heb je daarom veel energie nodig.

De duurzaamheid van CO2-vet hangt daarom, meer dan bij fossiele brandstoffen of biomassa, af van waar je de energie vandaan haalt, zegt Bosgraaf. ‘Het is dom om daar fossiele brandstoffen voor te verbranden. Wellicht kan het ook met wind- en/of zonne-energie, maar dat neemt ook ruimte in.’

CO2 per calorie

Om de duurzaamheid van de verschillende opties te vergelijken, gebruikten de onderzoekers gegevens van eerdere metingen. Hieruit konden ze onder andere afleiden hoeveel broeikasgassen er vrijkomen bij de winning van aardgas en hoeveel energie het kost om CO2 uit de lucht vast te leggen. Ook deden ze aannames over hoe efficiënt de verschillende koolstofbronnen omgezet kunnen worden in vet.

Uit het onderzoek volgde dat van landbouw afkomstige vetten leiden tot een uitstoot van ongeveer 1 tot 3 gram CO2-equivalenten per kilocalorie. Bij productie van identieke vetten die met behulp van elektriciteit worden gemaakt van aardgas komt daarentegen slechts minder dan 1 gram CO2-equivalenten vrij per kilocalorie. Nog duurzamer is het om CO2 uit de lucht om te zetten in vetten, mits dat met groene energie gebeurt. Volgens de berekeningen zouden daar nauwelijks broeikasgassen bij vrijkomen.

Toch denkt Bosgraaf dat we zelfgemaakte voedingsvetten vanwege gezondheidsoverwegingen niet op grote schaal kunnen inzetten. ‘Vet van planten, zoals zonnebloemolie, of van dieren is een complex mengsel. Dat kun je niet zomaar namaken. Als we dat gaan vervangen door één of een paar soorten vet, dan missen we bijvoorbeeld vetoplosbare vitamines. Maar het kleine beetje palmolie in een koekje dat toch al niet gezond is, kunnen we prima proberen te vervangen door synthetisch vet.’